Categories
Interview The Post Online

“Als mensen zeggen: jullie zijn rechts en populistisch, dan zeg ik: dat klopt.”

We spreken elkaar voor zijn aangekondigde vertrek uit Nederland in Kobalt, het Amsterdamse café waar op 1 oktober 2009 de voorloper van ThePostOnline zijn lanceringsborrel hield. Brussen is inmiddels gewend aan het vertrek van redactielid Annabel Nanninga naar Forum voor Democratie. “Het is vooral het gemis van een harde werker; iemand die er van het begin af aan bijzit, helemaal is ingewerkt en snapt wat er moet gebeuren. Een aderlating, ik kan niet anders zeggen.” Hij is bezig nieuwe freelance redacteuren in te werken, en zocht een tijdje naar unieke verhalen, door 1010 euro te bieden voor een mooie scoop.

“Een hebben we al gepubliceerd: over de Wet Damocles. Dat verhaal gaat over gemeenten die bizar veel panden sluiten op grond van het feit dat er meer dan vijf gram wiet aanwezig is. Ik vond het wel een goede scoop; de jongen die het schreef werkt overigens nu bij Brandpunt. Mensen die scoops maken zijn schaars, die zitten vaak al ergens: publieke omroep, RTL, Geenstijl. Ik denk dat tachtig procent van de freelancers gewoon stukjes schrijft – zoals jij doet, zeg maar. Heel veel cultuur, festivals, musea, lifestyle en human interest. Dat is hoe de markt in elkaar zit. En tachtig procent van de freelancers die een scoop hebben, willen niet op TPO. Ik bereik ze ook niet, omdat ze TPO niet lezen.”

Maar als ze het zien, zeggen ze: ik wil daar niet staan.

“Of ze gaan rondvragen. Dan horen ze: ThePostOnline, dat is van extreemrechts en nazi’s – noem allemaal maar op. Dan haken ze af. Mij zou het niet interesseren, als ze me maar betalen. Duizend euro is een leuk bedrag. Het is donatiegeld waarmee we iets goeds willen doen. Ik had het leuk gevonden om elke maand zo’n artikel te hebben, echt nieuws, het liefst ook van mensen die niet de geijkte TPO-toon hebben.”

Kun je omschrijven wat die geijkte TPO-toon is?

“Beetje populistisch, rechts, wantrouwend naar de overheid, beetje cynisch.”

Toen ik je drie jaar geleden interviewde verzette je je tegen het idee dat TPO rechts is. Je zei: ik word in de hoek van GeenStijl gezet.

“Het maakt mij allemaal niet zoveel meer uit. Ik zie het meer als geuzentermen. Op een gegeven moment dacht ik: het is dan maar zo. Het is beter voor je merk om je er niet tegen te verzetten. Jean Pierre Geelen schreef in de Volkskrant twee enorme kutstukken over ons. Dat leverde gewoon veel gratis reclame op, en heel veel bezoek en extra donaties. Ik denk: je kunt beter niks zeggen en hopen dat ze zoveel mogelijk over je lullen. Mijn meerwaarde zit erin als mensen denken: je hebt de Volkskrant en NRC, maar die hebben niet het hele verhaal, dus ga ik ook naar ThePostOnline. Als mensen zeggen: jullie zijn rechts en populistisch, dan zeg ik: dat klopt.”

‘Het gaat linie-breed slechter, voor alle nieuwssites. Online gaat steeds meer geld naar Youtube. De Enzo Knols van deze wereld en de beauty- en fashionmeisjes.’

Rechts en populistisch is nog iets anders dan een verwijt van racisme. Dat was een punt in de column van Geelen.  

“Ik noem mensen ‘neger’, maar dat betekent niet dat ik racistisch ben. Als je dat beweert, zeg ik: dat is niet zo. Mensen lezen de Volkskrant en gaan naar aanleiding van zo’n column naar TPO. Hun gedachte is dat we een soort Dagelijkse Standaard zijn, met racistisch gescheld. Maar op TPO staan nieuws en vaak gematigde columns. Sommige zijn wat grover. Mensen zien dat zelf, en dat is het beste bewijs dat je kunt leveren. Wat ik wel heel vervelend vind is als media me beschuldigen van nepnieuws. In het gezaghebbende Computer Totaal stond een stuk over nepnieuws op internet. Een van de illustraties was een screenshot van mijn site, met onderschrift: ThePostOnline is een notoire nepnieuwsverspreider. Nou, dráág me weg! Het is gewoon laster.”

Je hebt schijt aan veel dingen, maar waarom is dat zo vervelend?

“Omdat ik mijn best doe om te checken. Omdat ik de hele dag door linktips binnenkrijg, waarvan ik kan zien: dit is niet waar. Tachtig procent van de berichten op TPO komt van ANP, die kun je van veel beschuldigen, maar niet van nepnieuws. Ik maak een nieuwsselectie, en daar kun je wat van vinden. In mijn opinie kies ik een bepaalde richting, maar de feiten moeten kloppen. Er zijn gewoon mensen die ThePostOnline haten. Prima als je zegt: ik vind het een rechtse kut-site, maar je moet me niet zwart maken.”

En het verwijt dat ThePostOnline behoort tot de Nederlandse alt-right-beweging?

“Dat heb ik ook gezien. Wat moet je erop zeggen? Thierry Baudet wordt in Trouw een neonazi genoemd. Het is allemaal zo evident treurig en niet waar. Maar goed, de NOS krijgt ook elke dag totale bagger over zich heen, de Volkskrant en NRC ook. Het hoort erbij.”

“Je kunt beter niks zeggen en hopen dat ze zoveel mogelijk over je lullen.” Foto: Duncan de Fey.

De column van Geelen ging over de podcast die je sinds een jaar met Roderick Veelo opneemt. Hoe is dat idee ontstaan?

“Roderick kende ik al. Hij heeft een studio thuis om opnames te maken. We hebben het geprobeerd en het was meteen raak. Je moet wel weten waaraan je begint, want het werkt alleen als je het regelmatig doet en volhoudt. Wekelijks betekent wekelijks. Het is een moeilijk genre. We halen gemiddeld vijfduizend luisteraars per aflevering. Voor een Nederlandse podcast is dat best veel.”

Dus het levert nog niet veel advertentie-inkomsten op?

“De advertentiemarkt is sowieso kut. Met TPO wordt dat toch elk jaar minder. Adverteerders gaan massaal naar feelgood-media en Facebook, omdat ze daar de juiste doelgroep kunnen targetten. Veel meer bereik tegen lagere kosten.”

Van jou hoor ik dat voor het eerst. In 2017 vertelde je dat langsgaan bij adverteerders goed werkte. 

“Het gaat linie-breed slechter, voor alle nieuwssites. Online gaat steeds meer geld naar video-advertenties op Youtube. De Enzo Knols van deze wereld, de beauty- en fashionmeisjes. En Dumpert, die harkt miljoenen per jaar binnen met prerolls. Adverteerders gaan als laatste naar nieuwssites toe, want het is een te algemene doelgroep. Er komt wel meer geld binnen via automatisch adverteren bij Google. Maar het is een eindig model.”

‘Een abonnementsmodel is toekomstbestendig. Wat dat betreft ben ik wel jaloers op De Correspondent.’

In hoeverre merk je dat het rechtse profiel van TPO adverteerders afschrikt?

“Ik heb weleens wat geschreven wat ophef gaf. Dan gaan mensen twitteren. Social justice warriors taggen dan adverteerders. Die raken vervolgens in paniek. Meestal komen ze na een tijdje wel weer terug. De meeste adverteerders interesseert het niet. Ze willen bereik. Ethiek is niet echt een onderdeel van adverteren.”

Ik zag dat je een peiling deed om te zien of mensen geïnteresseerd zijn in een abonnement. 

“Ik wil een soort TPO-plus ontwikkelen, maar dan moet ik wel voldoende abonnees hebben. Dan heb je inkomsten om vijf of zeven extra stukken per dag te bieden. Een abonnementsmodel is wel toekomstbestendig. Je bent niet meer afhankelijk van adverteerders. Wat dat betreft ben ik wel jaloers op De Correspondent.”

Journalistiek moralisme

Brussen mengt zich regelmatig in de discussie over mores in de journalistiek, bijvoorbeeld naar aanleiding van de berichtgeving rond de moord op Anne Faber. Sommige media besloten ANP-luchtfoto’s van het bos waar Fabers lichaam was begraven niet te tonen. “Ik ga niet bepalen welke foto mensen wel of niet mogen zien. Ik begrijp gewoon niet dat media vinden dat ze poortwachter moeten zijn.”

Je kunt ook zeggen: het zijn andere manieren van selecteren of je op bepaalde onderwerpen richten.

“Dat je keuzes maakt snap ik. Maar dat is wat anders dan dat je bewust bepaalde beelden niet brengt, of bepaalde dingen niet vertelt, zoals de achtergrond van verdachten. Ik wil gewoon dat burgers zo’n compleet mogelijke beeld hebben. Dat is mijn taak als journalist. De luchtfoto van het onderzoek naar Anne Faber vond ik een heel mooie foto. Die mannen in witte pakken, de hekken. Het zei alles over het drama dat zich had afgespeeld. Of dat wel of niet fatsoenlijk is: ik ga er niet over.”

Berichtgeving op ThePostOnline met ANP-foto van de vindplaats van Anne Faber. “Of dat wel of niet fatsoenlijk is: ik ga er niet over.”

 

Ik begrijp dat constructivistische journalistiek niet aan jou is besteed. Je maakte journalisten die een manifest ondertekenden uit voor leugenpers. Is dat polemiek, of vind je echt dat je bij ondertekening failliet bent als journalist?

“Het is onderdeel van mijn schrijfstijl. Maar ik vind wel dat die mensen hun ziel verkopen. Je geeft je onafhankelijkheid op, als je zo openlijk een bepaalde voorkeur vastlegt. De mensen die zo’n manifest bedenken, zijn macht en controle kwijt en dat willen ze terug. Ik kan je nu al vertellen dat veel van die mensen vinden dat teveel burgers populistisch stemmen. Het heeft een reden: het zijn moralisten.”

Jij beoordeelt dat vanuit een duidelijke moraal over wat je vindt dat journalistiek moet doen in de samenleving. Waarom is hun moralisme zoveel aanstootgevender dan jou moralisme?

“Ik probeer zo min mogelijk moralistisch te zijn. Dat is reden waarom ik TPO heb opgericht. Dan moet je dat niet ook moralisme gaan noemen. Dat is een jij-bak. Ik verzet me tegen moralisme.”

Ik bedoel: jij hebt een duidelijk idee over normen en waarden die je beter van toepassing vindt op journalistiek.

“Ik heb een idee over geen normen en geen waarden binnen de journalistiek. Dat is het punt. Ik vind dat journalistiek vrij van normen en waarden moet zijn. Die zijn in 1968 ingebracht en hebben het Nederlandse mediadebat heel lang gegijzeld gehouden. Ik vind dat mensen recht hebben op waarheid, als je daar de hele tijd normen en waarden in gaat brengen – inkleurt – kom je als burger minder makkelijk aan je waarheid. Omdat ze niet alles hebben kunnen horen. Dat is waar ik me tegen verzet. En dat is niet moralistisch, dat is strijden tegen moraal die niet thuishoort in journalistiek, maar in de kerk.”

‘Ik vind het heel raar dat journalisten roepen dat ze waakhond van democratie willen zijn, en ook de uitkomst meteen willen invullen.’

Ik gebruikte net de term moralisme, en merk dat je dat een jij-bak vindt. Jij hebt ideeën over hoe media hun werk moeten doen, maar je wilt dat niet op gelijke voet stellen met het moralisme van andere media.

“Omdat ik dat niet zie als mijn missie. Het is niet per se iets dat ik in andere media moet injecteren. Ik bestrijd die mensen. Ik kan me er bijvoorbeeld niks bij voorstellen dat je als journalist vindt dat je burgers moet opvoeden. Daar zijn ze zelf verantwoordelijk voor. Dan kun je zeggen: ja maar, dat zijn allemaal domme mensen, die gaan dan Wilders stemmen. So what? Zo werkt de democratie. Mensen mogen dat zelf bepalen. Dan kun je beweren dat dat op oneigenlijke gronden is, met een verkeerd wereldbeeld. Dat zal allemaal wel. Ik geloof graag dat Trump een manipulatieve gek is. Maar dat is hoe democratie werkt. Ik vind het heel raar dat journalisten roepen dat ze waakhond van democratie willen zijn, en ook de uitkomst meteen willen invullen.”

Sommige journalisten zeggen: we willen het hele verhaal vertellen, dus ook positieve ontwikkelingen.

“Dat is dus niet zo. Ze bedienen zich van allerlei metaforen om iets te verkopen, waarmee ze iets anders willen bereiken. Dat is een beetje eigen aan links. Het hele verhaal vertellen, dat betekent dat als er weer een aanslag is, dat ze zeggen: je moet erbij vertellen dat islam ook staat voor tolerantie en vrede. Ik wil dat helemaal niet vertellen. Ik wil alleen melden dat er een islamitische aanslag is geweest. Dat is het enige wat mensen hoeven te weten. Er zijn zelfs journalisten die bij een aanslag roepen: jongens, jongens, moet dat nu nog in de krant? Ik vind het echt een soort 1984-achtige inbreng.”

En het idee dat door nadruk op etniciteit en daderschap een tweedeling ontstaat in de samenleving?

“Als je door een metoo-achtige hetze de nadruk gaat leggen dat het altijd mannen zijn, krijg je ook een tweedeling in de samenleving. Waarbij mannen uitsluitend worden beoordeeld op seksueel gedrag. Daar heb ik nog niemand over gehoord. Maar als het Marokkanen of moslims betreft, zeggen mensen: dat moeten we niet willen. Het is kennelijk afhankelijk van wat er precies gebeurt en wie slachtoffer is, of ergens nadruk op mag worden gelegd. Ik ben nog niemand tegengekomen die de Volkskrant bestraffend wil toespreken omdat de berichten over metoo beginnen af te stralen op alle jonge mannen die in de media werken. Ik ben niet degene om daarin onderscheid te maken. Ik vind dat je het moet vertellen.”

“Ik schrijf op gevoel. Zo maak ik mijn punt. Ik voel niet de plicht om dat uit te leggen.” Foto: Duncan de Fey.

Ironie en alter ego’s.

Brussen heeft regelmatig scherpe kritiek op de onderwerp- en woordkeuze van de grote dagbladen en de NOS. Columns over dat onderwerp worden steevast begeleid door het beeld van een zinkende Titanic. Toch stellen media zich de laatste jaren anders op, merkt hij. “Marcel Gelauff van de NOS is vatbaar voor kritiek en argumenten. De NOS is niet meer het gesloten bolwerk van vroeger. Zo van: wij bepalen het, en de burger kan geen kritiek uiten. Die tijd is voorbij.”

Dat klinkt bijna als een compliment.

“Ik heb Gelauff weleens een compliment gemaakt. Ik zei: ik moet je nog best vaak verdedigen. Hij moet een journaal maken voor zoveel mogelijk mensen. Dat doe hij uitstekend, met twee miljoen kijkers per dag. Sommigen zeggen: het journaal is infantiel. Het is ook verschrikkelijk. Ik kan er niet naar kijken, maar ik ben de doelgroep niet. Je maakt het voor de mensen die wel kijken, en dan moet je zo infantiel en duidelijk mogelijk uit-leg-gen wat Amerika is.”

“Bas Paternotte, Annabel Nanninga en ik hebben op een gegeven moment allemaal een week achtereen het NOS Achtuurjournaal gekeken, en dagelijks een recensie geschreven. Dat is leuk, want je kunt lekker zeiken. Maar onze conclusie was wel dat het toch heel moeilijk is om ze ergens van te beschuldigen. Qua bevooroordeling en framing viel het best wel mee. Je kunt de NOS niet beschuldigen dat ze dingen bewust verdraaien. Ze maken keuzes want een journaal duurt 25 minuten. En daar moet het weerbericht ook nog in, en een blokje met een leuk onderwerp. Allemaal typisch NOS.”

De NOS staat open voor kritiek, zelfs de individuele verslaggevers die er werken. Jij krijgt ook veel kritiek op wat je schrijft, je woordkeuze, of waar je voor staat. In hoeverre heeft dat invloed op jou?

“Niet op de woorden die ik kies, want dat ben ik. Ik ben van de lijn dat mensen op mijn site een bepaalde harde woordkeuze mogen maken. Als anderen dat kwetsend vinden, moeten ze de Volkskrant gaan lezen. Als mensen TPO eenzijdig vinden, of te veel rechts of te veel opinie en ANP, dat is wel kritiek die ik me aantrek, al kan ik dat niet makkelijk oplossen. Het is roeien met de riemen die je hebt.”

‘Ik wil ook niet dat anderen daar grip op kunnen krijgen. Mensen die vragen: vind je dat dan echt? Voor jou een vraag, voor mij een weet.’

Uit jouw stukken spreekt vaak woede en ergernis. Als ik je om uitleg vraag, heb je een genuanceerder standpunt. Ik kan me voorstellen dat dat ook in de weg kan zitten.

“Nee hoor. Ik ben polemisch. Ik schrijf op gevoel. Ik ga gewoon zitten en ik tik. En dan komt dat eruit. Zo maak ik mijn punt. Ik kan er niet zoveel over zeggen. Ik voel niet de plicht om dat uit te leggen. Het is gewoon een vorm waarin je dingen schrijft, die anders is dan wanneer je praat. Het is bijna een alter ego.”

Dat maakt het wel lastig om een standpunt precies plaatsen. Achteraf kun je altijd zeggen dat het polemiek en ironie was.

“Dat vind ik mooi. Merijn Oudenampsen klaagde daarover in NRC. Hij zegt: het punt bij dat soort mensen sinds Reve en Propria Cures, is dat ze zich altijd beroepen op ironie, en daar kun je niet mee in debat gaan. Klopt, dat is ook de bedoeling. Ik wil niet met hem of anderen in debat. Ik wil ook niet dat anderen daar grip op kunnen krijgen. Dat is precies de kunst. Mensen die vragen: vind je dat dan echt? Voor jou een vraag, voor mij een weet. Ik ga het je niet uitleggen.”

Wat is er aantrekkelijk aan die manier van werken?

“Weet ik niet. Dat is hoe ik ben. Misschien kun je er een Freudiaanse theorie bij verzinnen. Waarom doe je iets? Waarom doet Hans Teeuwen wat hij doet? Als je het aan hem vraagt om het uit te leggen, wijst hij je ook de deur. Uitleg is dodelijk voor wat je doet. Het komt diep van binnen, maar dat is geen bevredigend antwoord, dat weet ik ook wel. Het is wie ik ben. Waarom ben ik altijd zo boos? Waarom ben jij altijd niet boos? Kun jij daar een antwoord op geven? Nee, dat is je karakter, hoe je bent gevormd. Je kunt niet zeggen: dat komt daardoor. De een heeft veel temperament, de anders is eeuwig rustig, doet alles genuanceerd. Nobody knows. Dat is hoe mensen zijn.”

Zo krijg je het verwijt dat je maximale vrijheid wilt hebben om te zeggen wat je wilt, maar dat je er niet op vastgepind wilt worden.

“Ik kan er wel voor kiezen om ergens op vastgepind te worden. Dan moet je naar goede argumenten zoeken en het debat aangaan. Maar dat wil ik dus niet. Dat is het probleem. Dan moet je in De Balie gaan staan. En dat wil niet. Ik weet al wat die mensen gaan zeggen. Het debat in Nederland is zo dood als een pier – voor mij in elk geval wel.”

Brussen woont inmiddels al een paar maanden op de Canarische Eilanden, een stap die hij een jaar geleden in een interview al aankondigde.

“Het idee om te verhuizen heb ik al een jaar of twintig, maar als je jong bent doe je dat niet even. Door de jaren heen zet dat idee zich vast in je hoofd. Nu komt het uit met de verkoop van mijn huis. Los van het mooie weer vind ik Nederland een kutland. Ik vind het daar gewoon te gek. De mensen zijn oké, er zijn goedkope huizen en veel ruimte en rust. Terwijl het Spanje is, dus ik kan me vrij vestigen. De eerste keer dat ik blij ben met de EU. Ik overwoog eerst Portugal, maar werd meer verliefd op de Canarische Eilanden dan de Algarve. En Spaans lijkt me makkelijker te leren dan Portugees. Ik kan daar hetzelfde doen als hier. Ze hebben daar zelfs beter internet. Iemand ontmoeten kan ook via Skype. En anders komen ze daar maar langs.”

Word je door die omgeving milder? Als ik in Zuid-Europa ben, krijg ik vanzelf een zonniger blik op het leven.

“Ik hoop op een gunstig effect, dat ik wat relaxter in het leven kan staan. Het zou leuk zijn als het wat minder vermoeiend wordt. Sowieso sta ik dan verder van Nederland af. Het duurt tien jaar voordat je ergens helemaal gewend bent. De eerste jaren heb je nergens weet van, en hoef je je niet te ergeren aan de verschrikkelijkheid.”

 

 

Categories
Profiel Reporters Online

Reporters Online-oprichter Jan-Jaap Heij: “De kans dat het wat wordt is het grootst als je er 110% voor gaat”

Anekdotes vertelt Jan-Jaap Heij graag, vaak met gevoel voor understatement, maar psychologiseren van het leven is niet zo aan hem besteed. Er volgen nuchtere antwoorden als je vraagt naar de scheiding van z’n ouders (“Ik begreep het wel.”) of welke lessen hij van huis uit heeft meegekregen (“Hoe je voor jezelf zorgt.”) Er klinkt ook geen verlangen naar Intermediair, Vrij Nederland of De Pers, media waar hij in hoogtijdagen carrière maakte en die nu zijn gedecimeerd of verdwenen (“Die tijd is echt voorbij.”) De balans van veel periodes is tevredenheid, of zoals hij zelf zegt: “Ik heb me in die jaren uitstekend vermaakt”.

De strateeg

Ook nu hij als ondernemer en baas van Reporters Online merkt dat z’n inkomen is gehalveerd, is er een vrolijk inzicht gegroeid. “Ik verdien nog altijd ruim meer dan een postbode, maar een stuk minder dan vroeger. Ik merk dat hooguit aan twee dingen: vroeger als ik uitging, nam ik een taxi naar huis van Amsterdam naar Haarlem. Dat doe ik niet meer, ik ga sowieso nooit meer uit. En ik ga goedkoper op vakantie. Vroeger huurde ik een villa in Bergen aan Zee, en nu een vakantiehuis in Doorn. Of je nu 60.000 of 150.000 euro per jaar verdient, dat maakt los van een vakantie of Italiaanse kleding niks uit. Daar dacht ik vroeger echt anders over. Ik vind dat plezierig om te merken.”

Niet te lang stilstaan en opgewekt doorgaan is typerend voor hoe hij denkt en werkt, zegt Alain van der Horst, adjunct onder Heij vanaf 2008 bij dagblad De Pers en De Pers op Zaterdag. Sinds die tijd zijn het goede vrienden. “Voor Jan-Jaap is er altijd een nieuwe kans, je kunt altijd iets doen.” In de nadagen van De Pers bijvoorbeeld, voordat het einde van de krant definitief was, volgenden ontwikkelingen en geruchten elkaar in hoog tempo op. “Jan-Jaap was de strateeg, die met nieuwe informatie gelijk naar nieuwe mogelijkheden zocht. Je kon ‘m met z’n hand onder z’n kin voor zich uit zien staren. Dan kwam er vaak direct een praktische oplossing: als dit het wordt, moeten wij dat doen. En dan lag er weer een nieuw concept voor de volgende fase van De Pers.”

Toen De Pers op 30 maart 2012 onherroepelijk stopte was er een man die stug doorging, zegt Van der Horst. “Jan-Jaap ging elke dag aan de slag. Hij werkt altijd. Zolang dat kantoor aan de Fokkerweg van ons was – al stond er geen bureau meer – ging hij erheen. Het oorspronkelijke idee van een doorstart met een nieuwe redactie sneuvelde, maar hij gaf niet op. Wat ‘m ook helpt is z’n houding om altijd in de toekomst te kijken. De omstandigheden wijzigden radicaal, maar alle dingen die hij in de voorgaande jaren had geleerd over digitale ontwikkelingen en de journalist als merk, heeft hij samengebracht in een nieuw concept dat De Nieuwe Pers werd.”

“Al die plannen voor een doorstart van De Pers ontwikkelde hij ook voor de journalisten die er werkten. Het concept van De Nieuwe Pers en Reporters Online is dat ook geworden. Bij Jan-Jaap is het niet alleen maar gedrevenheid vanuit nieuwe technologie of zijn eigen ambitie. De term sociaal zal hij wel verschrikkelijk vinden, maar wat hij doet heeft ook wel iets nobels.”

Jan-Jaap Heij en Ben Rogmans tijdens de lancering van De Nieuwe Pers op 11 februari 2013. Arnold Karskens (links naast de trap) kijkt toe. Foto: deOndernemer.nl.

De doener

Jan-Jaap Heij werd in 1968 geboren in Haarlem. Zijn moeder werkte als tolk-vertaler, zijn vader was chemicus bij TNO en later hoofdredacteur van het vakblad Kunststof en Rubber. Op de vraag wat z’n ouders hem hebben meegegeven, wrijft hij even in stilte over z’n gezicht. “Ik geloof niet dat mijn vader en moeder ooit een opvoedkundig gesprek hebben gevoerd. Zo van: jongen, zo moet je het leven zien. Ik was al vrij jong zelfstandig, met de gedachte: volgens mij moet het zo, en dat gaan we ook gewoon doen.”

Dat uitgangspunt van ‘gewoon doen’ is eigenlijk niet veranderd. Het is Heij’s manier om te zeggen dat hij heel doelgericht en gedreven is. “Dingen half doen vind ik niet leuk. Als je ergens in gelooft, is de kans dat het wat wordt het grootst als je er honderdtien procent voor gaat. Dan is het ook het leukst. Ik ben daardoor slecht bestand tegen organisaties die op routine zijn georganiseerd. Daar kan ik niet zo goed tegen. Dan ga ik me vervelen.”

Na de scheiding van zijn ouders woont hij als tiener met z’n moeder en oudere zus in Lisse. Net als zijn vrienden verdient hij s ’zomers aardig in de bloembollen. Dat zorgt voor een rijk uitgaansleven, onder meer in de Haarlemse Club Stalker, LVC in Leiden en de Melkweg in Amsterdam. Uit de installatie op z’n kamer klinken Motörhead, Metallica en Slayer. Mooie tijden, zegt Heij: “Veel feesten, veel concerten, veel bier. Ik had lang haar, meer dan nu. Dat was toen echt verplicht als heavy metal-fan. Daar zijn een paar foto’s van – en nee, die mag je niet hebben.”

[Hier moet nog een foto van Jan-Jaap Heij als heavy metal-fan met lang haar.]

De student

Op achttienjarige leeftijd vertrekt hij naar Amsterdam voor een studie politicologie, die hij uiteindelijk afrondt bij de faculteit economie. Dat zijn vader actief was in de PvdA heeft volgens Heij ‘geen traceerbare invloed gehad’, zeker niet wat politieke kleur betreft. “Ik vond politicologie interessant, maar het was eigenlijk mijn tweede keuze, want ik wilde informatica kiezen tot ik realiseerde dat m’n wiskunde niet goed genoeg was.” Nederlandse politiek interesseerde hem toen veel meer dan nu. Hij volgt het nog nauwelijks, maar stemt wel: soms D66, meestal VVD, waarvan hij een aantal jaar lid is geweest. “Ik denk dat vrijheid en zelfstandig ondernemerschap belangrijke waarden zijn die bij liberalen in betere handen zijn dan bij socialisten of rechtse populisten.”

In Amsterdam verstrijken de jaren met studeren en tappen in een kroeg. “Op een gegeven moment dacht ik: als ik nu niet afstudeer, dan komt het er nooit meer van. Dus heb ik een zomer vrij genomen om een scriptie te schrijven over het basisinkomen. Grappig onderwerp, want de afgelopen jaren stond dat weer ter discussie. Alle onderzoeken uit de jaren zeventig kwamen weer voorbij, en die had ik ook in mijn scriptie gebruikt. Toen ik in 1994 afstudeerde was de crisis afgelopen. Ik had meteen een baan, niks aan het handje. En de maatschappelijke discussie over het basisinkomen was ook meteen weg. Tot de volgende crisis.”

De journalist

Zijn eerste stappen op het gebied van de journalistiek zet hij bij universitair weekblad van de VU, Ad Valvas. Daarvoor werkte hij in een café. “Dat was een beetje de kat op het spek binden. Ik dronk vroeger nogal veel, het was toen voor mij niet zo’n goed idee om daar te blijven werken. Het journalistieke bijbaantje leverde meer op dan tappen, dus ik ging ander werk doen, en het beviel goed.” Op de redactie ontmoet Heij in 1992 Ben Rogmans, die als ad interim hoofdredacteur aan de slag gaat. Rogmans: “Mijn eerst indruk was er een van een uiterst intelligent, belezen, onconventioneel en op vernieuwing gericht type. En dat is hij nog steeds.”

Het onconventionele zat volgens Rogmans erin dat Heij niet meeging met de mainstream. “Bij universiteitsbladen werkten van oudsher journalisten die zichzelf zagen als waakhond van de universitaire democratie. Dat is wel belangrijk en interessant om te doen, maar als je dat alleen maar doet, word je nooit het blad of website van de hele universitaire gemeenschap. Die is oneindig veel rijker en veelzijdiger. Jan-Jaap richtte zich op andere dingen met originele onderwerpen. En hij had een instelling van niet ouwehoeren maar werken, en stond ook open voor handreikingen en adviezen.”

De hoofdredacteur

Rogmans vertrekt in 1994 om hoofdredacteur van Intermediair te worden, korte tijd later volgt Heij. Hij wordt achtereenvolgens economieredacteur, redactiechef en in 1998 hoofdredacteur. Internet heeft in dat jaar nog geen invloed op oplages en adverteerders. Nu.nl start in 1999 en de eerste smartphone komt pas in 2007 op de markt. Intermediair schommelt in de jaren negentig rond de 250.000 exemplaren en staat wekelijks barstensvol personeelsadvertenties. Lezers klagen regelmatig dat het pak papier niet zonder scheuren door de brievenbus past. Bij het 35-jarig jubileum in 2000 krijgt het blad afwisselend het predicaat goudmijn en gasbel van Slochteren. Samen met Libelle en Margriet is Intermediair de kurk van uitgever VNU, en Heij krijgt als 28-jarige het roer in handen.

“Ik denk dat de raad van bestuur van VNU even na heeft moeten denken”, zegt Heij. “Intermediair maakte per jaar 65 miljoen gulden winst. Het geld spoot naar binnen. Op een gegeven moment werd het blad zo dik dat het moeilijk werd om in Nederland een geschikte drukker te vinden. Maar mijn beide voorgangers – Flip Vuijsje en Ben Rogmans – hadden gezegd: volgens ons kan hij het wel. Dus laten we maar kijken. Het was een combinatie van eigenschappen en omstandigheden. De kans deed zich voor, en ik beheerste de financiële kant van het vak redelijk goed. En ik kan aardig verwoorden wat ik wil en ben niet bang om risico’s te nemen.”

Rogmans: “Journalistiek was geen probleem en hij was georganiseerd wat betreft de redactionele planning. Bovendien kan hij behoorlijk goed met mensen omgaan. Jan-Jaap heeft een groot politiek inzicht. Hij doorziet de dynamiek op de redactie en hij weet wat er in mensen omgaat. Hij kan mensen sturen en aansturen, maar als het moet ook wegsturen – en dat gaat niet met veel empathie en een aai over de bol.”

Heij geeft zich voor die tijd als hoofdredacteur een zuinige zeven min. “Geen onvoldoende maar ook zeker geen negen. Het is geen fiasco geworden, maar ik denk niet dat ik hoog scoorde op de competentie empathisch leiderschap. Mijn eigen conclusie achteraf is dat ik toen te jong was. Ik had vier of vijf jaar extra ervaring als redactiechef moeten opdoen onder een hoofdredacteur, om de beperkingen van die positie te zien.”

“Wat ik me ook niet realiseerde is wat het betekent om hoofdredacteur te zijn van een blad dat zoveel winst maakt. Rob van den Berg, de toenmalige CEO van VNU, en een van de beste uitgevers van Nederland, heeft me daar eens over onderhouden. Op tamelijk daadkrachtige toon zei hij: ‘Luister eens ventje, van jouw blad betalen vijfenzeventig mensen een hypotheek, dus je neemt het maar een beetje serieus. Dat is ook je verantwoordelijkheid.’ En daarin had ie gelijk. Ik had op die leeftijd iets te veel de neiging om te denken: wat kan mij het ook allemaal schelen.”

De ongrijpbare

In 2007, bij de lancering van gratis dagblad De Pers, heeft Heij het gevoel dat hij het leiden van een redactie beter in de vingers heeft. Hij wordt een van de twee adjunct-hoofdredacteuren, en er volgt nieuwe samenwerking met hoofdredacteur Ben Rogmans. “Het leek me wel wat, want ik had nog nooit een dagkrant gemaakt”, zegt Heij. “Nou, en dat was ook wat: een avontuur! Het was ontzettend leuk, maar ook moeilijk, omdat je dagelijks verschijnt. Je zit vanaf dag een in zo’n hectisch proces dat je niet heel veel tijd meer hebt voor feedback en bezinning. Zeker het eerste jaar hebben we ons helemaal te pletter gewerkt.”

In de geschreven geschiedenis van De Pers speelt Heij geen grote, of erg uitgesproken rol. Als hij voorbijkomt is het eerder onaangedaan, lachend of conflicten sussend. Terwijl het in het eerste jaar stevig rommelt op de redactie en uitgever en hoofdredacteur een conflict hebben over de koers van de krant, blijft Heij met iedereen on speaking terms.

“Dat onaangedane klopt wel een beetje. Hij is totaal onafhankelijk”, zegt Rogmans. “Persoonlijke conflicten raken hem wel hoor, maar als hij bijvoorbeeld ergens wordt ontslagen, dan is ie echt niet van z’n a propos.”

“Hij is een beetje sfinxachtig”, zegt Van der Horst. “Niets lijkt hem wat te doen. Hij heeft totaal niet nodig dat mensen hem aardig vinden. Jan-Jaap was geliefd op de redactie, al vonden sommigen hem af en toe een rare snuiter. Hij kan best wel sociaal gemankeerd overkomen. Hij kan soms nurks zijn, geen zin hebben. Zo van: rot op met je gezeur, val me niet lastig. Aan de andere wil je hem geloven als je hem hoort praten. Hij laat anderen meebewegen met z’n gedachtegang. Dingen die hij per se wil doorvoeren organiseert hij op zo’n manier dat mensen het gevoel hebben dat ze het zelf hebben verzonnen.”

“Jan-Jaap Heij is een beetje sfinxachtig. Niets lijkt ‘m wat te doen.”

Het is vooral eerdere redactie-ervaring, die zijn kijk op conflicten heeft gevormd, zegt Heij. In 2000 maakte hij de overstap van Intermediair naar HP/DeTijd, maar na twee maanden vertrok hij uit eigen beweging weer in het kielzog van zijn hoofdredacteur, die werd ontslagen. Een paar jaar later was hij adjunct bij Vrij Nederland, waar hij in een conflict rond een reorganisatie door de redactie werd weggestemd.

“Het was in het eerste jaar van De Pers een hectische periode met een paar enorme conflicten. Ik had die hele geschiedenis bij Vrij Nederland al achter de rug en ik was niet meer zo heel snel ontdaan dat een paar mensen mot hadden met elkaar. Qua emoties was dat vergelijkbaar. Ik dacht: dat gaat wel weer over. Wanneer het over werk gaat heb ik enigszins de neiging om te denken dat morgen de zon weer opkomt. Ik ga gewoon naar bed, in plaats van een nachtje zuipen of piekeren achter de computer. Ik heb niet veel talent voor overspannenheid, laat ik het zo zeggen. Het heeft voor- en nadelen. Mensen vinden me soms wat ongrijpbaar. Dat is een keerzijde. En ik kan soms erg sarcastisch zijn. Dat vindt ook niet iedereen leuk.”

Leidinggevenden hoeven niet populair te zijn, vindt Heij, en het is gezond voor de bedrijfscultuur als ze niet te lange tenen hebben en commentaar niet persoonlijk opvatten. “Goed gedrag betekent voor mij op een collegiale manier eigenwijs zijn en voor je eigen ideeën opkomen. Niet bang zijn voor kritiek op leidinggevenden, zolang er geen vuile spelletjes worden gespeeld. Mensen die dat durven, moet je belonen, in plaats van het signaal geven dat ze hun mond moeten houden.”

Die filosofie heeft Ben Rogmans aan den lijve ondervonden. “Likken naar boven en trappen naar beneden, is bij Jan-Jaap eerder andersom. Persoonlijk vind ik dat een goede eigenschap. Als hij adjunct is en hij moet iets zeggen over de hoofdredacteur, dan neemt hij geen blad voor de mond. Kritiek op de boven hem gestelden zal hij altijd op een normale manier naar voren brengen. Alleen als je je als leidinggevende snel bedreigd voelt, ontstaat er paniek. Maar dat is totaal onnodig.”

De vader

Heij is vader van twee dochters van 14 en 8, uit twee relaties. Daarnaast zijn er twee stiefkinderen in een nieuwe relatie. Het plannen van afspraken in zo’n samengesteld gezinsleven is niet altijd eenvoudig, zegt Heij. “Al doende leert men. Ik ben goed met Excel, en dat is handig om te bepalen wanneer ik waar ben met wie en waarom. Ik wilde altijd al kinderen, en op het moment dat ik ze kreeg heb ik besloten dat ik er volwaardig wilde zijn, ook nadat we als partners uit elkaar gingen. Het betekent dat ik tegenwoordig de meeste avonden thuis ben om voor de kinderen te zorgen. Dat is ook een reden dat ik nooit meer uitga, of naar avondbijeenkomsten kan komen. Ik werk vaak ook nog tussen elf en half twee, als de kinderen slapen. Ik heb niet zoveel slaap nodig, een uur of vier vijf is wel genoeg.”

“Als je aan Jan-Jaap vraagt hoe het kan dat hij al geantwoord heeft, dan antwoordt hij: ‘wij slapen nooit’ “, zegt Gyurka Jansen, verantwoordelijk voor techniek bij Reporters Online en De Coöperatie. Hij ontwikkelde de wordpress-plugin voor een Blendle-knop voor freelancers. “Alleen als er iets met de kinderen is, krijg je even geen antwoord. En laatst had hij een korte vakantie, toen was hij echt niet te bereiken. Dat duurde twee dagen.”

Gyurka Jansen en Jan-Jaap Heij aan het werk. Foto: Maarten Brante©.

De werker

Ze kennen elkaar sinds 2012, toen Heij uitgever werd bij ThePostOnline. Jansen en Heij regelen veel via e-mail en Facebook-messenger, ook buiten kantooruren. “Het gebeurt niet zelden dat ik ’s ochtends vroeg een mailtje zie met ‘ik heb dit alvast even gedaan’. Dan heeft Jan-Jaap iets gevonden dat misschien niet technisch optimaal werkt, maar wat hij ’s nachts wel in elkaar heeft gesleuteld. Het is dan aan mij om te controleren of het werkt en te zien of hij niet iets is vergeten. Op die manier hebben we het website-systeem ontwikkeld dat De Coöperatie nu aanbiedt aan de leden. Dat is hoe hij werkt: hij ziet bestaande oplossingen, en probeert snel of hij ze kan inzetten. De afgelopen jaren heb ik van hem geleerd dat je gewoon moet beginnen.”

Jan-Jaap is doelgericht en flexibel, zegt Jansen. “Dat de deadline niet wordt gehaald is niet erg, er zijn altijd obstakels. Het moet op een gegeven moment wel klaar zijn, ook al is het technisch niet perfect. Verbeteren kan daarna nog wel. Zijn aanpak lijkt op wat Mark Zuckerberg ooit heeft gezegd: done is better than perfect.”

Heij verlangt niet terug naar het redactionele leven. De Pers was voor hem in veel opzichten een hoogtepunt. De redactie was vooral in 2010 en 2011 in vorm, en hij kon met adjunct Van der Horst en uitgever Rogmans lezen en schrijven. “De Pers deed in z’n beste jaren wat ik vond dat journalistiek op dat moment moest zijn”, zegt Heij. “Daarna wilde ik ook geen journalist meer zijn. Ik weet niet of het nu nog zou lukken om een blad te maken met de toon van De Pers. Ik kon toen nog beoordelen met welke onderwerpen je moet werken voor mensen tussen de 20 en 35. Ik denk niet dat ik dat nu nog zou kunnen. En ik zou het ook niet meer willen.”

“Ik heb na De Pers bewust enige schaal van kleinschaligheid opgezocht. Ik opereer nu grotendeels in de schaduw. Daarvoor was ik soms op tv en dat ben ik nu nooit meer, en dat bevalt me uitstekend. Ik weet niet of ik Reporters Online de rest van mijn leven blijf doen, maar wat ik nu doe ben ik wel van zins te blijven doen. Ondernemerschap is leuk als je succes hebt, als je dingen mogelijk hebt gemaakt die nog niet mogelijk waren. Zelf bedenken, zelf regelen. Als dat lukt, dan zijn er weinig zaken plezieriger dan geld uitgeven dat je zelf hebt verdiend.”

Categories
Conclusies

Dit is wat we geleerd hebben van het volgen van 7 journalistieke start-ups

Eind 2014 begonnen we met het volgen van zeven Nederlandse journalistieke start-ups. Zes geweldige journalisten ging keihard aan de slag om het reilen en zeilen van deze nieuwe journalistieke ondernemingen in kaart te brengen. En dan niet de kleine nieuwtjes, maar de grote lijnen. Dat leverde grote verhalen op, uitgebreide, lange artikelen, die zijn te vinden in dit dossier.

We hadden met dit project twee doelen:

  1. Geschiedschrijving: de ontstaansgeschiedenis van deze start-ups documenteren. Dat is in het verleden veel te weinig gedaan voor de internetjournalistiek. We weten heel weinig van de geschiedenis van de Nederlandse internetjournalistiek. Daar is weinig over vastgelegd. Met dit project wilden we ervoor zorgen dat de verhalen van deze interessante start-ups in elk geval wél gedocumenteerd zouden worden.
  2. Lessen: conclusies trekken over het succes en falen van de start-ups. Met het idee dat daar wat van te leren valt voor anderen die een nieuwe journalistieke onderneming willen beginnen.

Van de zeven die we zijn gaan volgen zijn er nog zes in leven. Er is er helaas maar één over de kop gegaan. Zeer spijtig, want van mislukkingen leren we natuurlijk het meest.

Zonder gekkigheid: het is natuurlijk geweldig dat deze zes er in geslaagd zijn om tot nu toe te overleven. Ook daarvan kunnen we vanalles leren. Ik waag een poging om een paar lessen te trekken. Zonder allerlei hippe start-up-termen te gebruiken: A. omdat ik er een hekel aan heb, en B. – dit is natuurlijk de echte reden – omdat ik ze niet kan uitspreken.

Lessen

Dit is dus de dag dat ik de gouden formule kan onthullen voor het in de markt zetten van een succesvolle start-up. Vanaf nu is het beginnen van een nieuwe journalistieke onderneming een fluitje van een cent. Just follow the rules.

Maar niet heus. Was het maar zo simpel.

Goed idee

Het begint natuurlijk met een goed idee. Je moet een geniaal idee hebben. Een briljant plan. Iets uiterst origineels. Een unieke innovatie.

Nou nee, dat is dus helemaal niet waar. Sterker nog, het is onzin.

Want dacht je dat Blendle de eerste was die had bedacht dat het goed idee zou zijn om artikelen per stuk te verkopen? Wel nee, daar werd al jarenlang over gesproken: er moest een iTunes voor journalistiek komen. En toen Blendle begonnen waren er in Nederland drie andere initiatieven die dit ook wilden gaan doen: eLinea, MyJour en Yournalist. Een origineel idee was het dus helemaal niet.

Dacht je dat Yournalism de eerste was die had bedacht dat crowdfunding een slimme nieuwe manier zou zijn om onderzoeksjournalistiek te financieren? Wel nee, in Nederland hadden we daarvoor al iets soortgelijks: Nieuwspost. En in de VS timmerde Spot.us al een tijdje aan de weg met dit idee.

En eigenlijk kan je dat over alle start-ups zeggen: in de basis zijn het geen briljante nieuwe ideeën, die als een plotselinge bliksemschicht aan de hemel verschijnen. Ze baseren zich allemaal op ideeën die al langer de ronde doen en die soms ook al eerder zijn uitgeprobeerd. Dat kan zelfs een voordeel zijn, want dan kan je bekijken waardoor het mislukt is en hoe je het beter kan aanpakken.

Keihard werken

Je hoeft dus helemaal geen briljant idee te verzinnen, maar de crux is de uitvoering. Je moet in staat zijn om een goed idee om te zetten in daden. Dat klinkt makkelijker dan het is. Want het betekent dat je volle bak aan de slag moet. Met man en macht. Dag en nacht. Werken, werken, werken. Keihard werken. Het is niet iets wat je er even bij doet. De mensen van deze start-ups hebben er ziel en zaligheid in gestopt. Hebben er heel veel tijd in gestoken. Hebben zich kapot gewerkt. Het is een godswonder dat ze nog allemaal in leven zijn.

Ergo, zoals Reporters Online-oprichter Jan-Jaap Heij in een net gepubliceerd interview op Nieuwe Journalistiek zegt: “De kans dat het wat wordt is het grootst als je er 110% voor gaat.”

Marketing

Een andere veelgehoorde misvatting is dat een goed idee zichzelf wel verkoopt. Ik heb het menig journalist met een plan voor een journalistieke onderneming horen zeggen: dit is zo’n goed idee, dat verkoopt zichzelf. Veel journalisten vinden ‘marketing’ een vies woord en willen er liever niks mee te maken hebben. Maar als je een kans wil maken als stat-up kan je er niet omheen. Zonder marketing, zonder publiciteit, is de kans klein dat het wat wordt. Je moet mensen laten weten dat je bestaat. En moet mensen duidelijk maken wat er zo goed of nuttig aan je product is. Anders gaat niemand het gebruiken. En er al helemaal niet voor betalen. Je móet mensen dus overtuigen. Dat gaat niet vanzelf. Marketing dus.

Het was niet voor niets dat Rob Wijnberg alles in het werk stelde om in De Wereld Draait Door te komen om zijn plannen voor De Correspondent te onthullen. Toen de DWDD-redactie zei dat ze geen ruimte voor hem hadden in de uitzending, liet hij Femke Halsema en Jelle Brandt Corstius optrommelen, waardoor de redactie alsnog overstag ging en Wijnberg voor het oog van miljoenen kijkers De Correspondent kon bekend maken.

Het was ook niet voor niets dat de bedenker van Blendle, Marten Blankesteijn, besloot om Alexander Klöpping te vragen om hem te helpen. Hij wist dat hij een bekend en hip gezicht nodig had voor de publiciteit. Dat vervolgens Alexander Klöpping door velen vaak gezien werd als de oprichter en bedenker van Blendle, nam hij op de koop toe. Soms moet je nederig zijn om van je onderneming een succes te maken.

Ook Eric Smit begreep dat publiciteit noodzakelijk was om Follow the Money op de kaart te zetten. Die publiciteit krijg je met grote scoops, maar nog meer door mee mee te doen aan een tv-programma als De Slimste Mens. Ook dat is marketing.

Aanpassen

Bij alle start-ups zie je dat ze in wezen blijven vasthouden aan hun kernidee, maar zich ook aanpassen als dingen niet blijken te werken. Beide zijn naar mijn idee belangrijk: koers houden door te geloven in je uitgangspunt én je kunnen aanpassen aan de omstandigheden.

Follow the Money is altijd blijven geloven in een online platform voor veelbetekenende onderzoeksjournalistiek. Wel zijn ze veelvuldig veranderd van financieringsmodel.

De ‘tuinen’ van de correspondenten  bleken niet te werken, maar De Correspondent is blijven geloven in het belang en nut van de interactie met hun leden.

Abonnementen op individuele journalisten bleken niet zo succesvol, maar Reporters Online is blijven geloven in het idee dat freelancers hun werk rechtstreeks aan lezers zouden moeten kunnen verkopen.

En Blendle dan? Die zien nu toch meer toekomst in abonnementen dan in het verkopen van losse artikelen? Je kan het ook anders zien. De missie van Blendle is om mensen de mogelijkheid te geven om artikelen uit verschillende kranten en tijdschriften te lezen, afgestemd op hun persoonlijke voorkeur. Dat doen ze nog steeds. Blendle Premium geeft mensen immers elke dag een bundeltje artikelen dat is afgestemd op hun persoonlijke voorkeuren.

Geluk

Je moet natuurlijk ook een beetje geluk hebben. Soms valt het dubbeltje de goede kant op en soms de verkeerde kant. Wat nou als het Rob Wijnberg niet gelukt was om in De Wereld Draait Door te komen? Wat nou als de investeerder niet op laatste moment was afgehaakt bij Yournalism waardoor ze zonder geld kwamen te zitten? Wat als Alexander Klöpping ‘nee’ had gezegd tegen het verzoek van Marten Blankesteijn om mee te doen met Blendle?

Geen advertenties, maar abonnementen

Als je kijkt naar deze start-ups kan je ook de les trekken dat journalistiek financieren met advertenties steeds lastiger wordt en dat het kansrijker is om te werken met abonnementen. De meeste van deze start-ups mikken nadrukkelijk op betalende klanten. Zelfs ThePostOline, dat met het opbouwen van een groot bereik om geld te kunnen verdienen aan advertenties, ziet dat ze het over een andere boeg moeten gooien.

TPO-hoofdredacteur Bert Brussen zegt in een nog te publiceren interview op Nieuwe Journalistiek: “De advertentiemarkt is sowieso kut. Met TPO wordt dat toch elk jaar minder. Adverteerders gaan massaal naar feelgood media en Facebook. Een abonnementsmodel is wel toekomstbestendig. Je bent niet meer afhankelijk van adverteerders. Wat dat betreft ben ik wel jaloers op De Correspondent.”

Impacht

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de impact van deze start-ups op de Nederlandse journalistiek. Want die is er onmiskenbaar. Denk maar aan de onthullingen die we aan hen te danken hebben. Ze hebben er journalistieke prijzen mee gewonnen. Dat alleen al is een grote verdienste, maar ook een bewijs dat ze van toegevoegde waarde zijn.

Maar is meer.

Koppen en aanspreekvormen

Niet voor niets deze titel voor dit verhaal gekozen: Dit is wat we geleerd hebben hebben van het volgen van 7 journalistieke start-ups. Het is het type kop dat door Blendle en De Correspondent groot is geworden. En tegenwoordig ook door andere media in stelling worden gebracht. Sommige mensen irriteren zich er mateloos aan en noemen het clickbait. Ten onrechte vind ik. Clickbaitkoppen zijn koppen die meer beloven dan een artikel waar kan maken. Dat is bij De Correspondent en Blendle niet het geval. Zeg nou zelf: als dit soort koppen er voor zorgt dat mensen goede journalistieke artikelen gaan lezen, dan is dat toch alleen maar goed?

Publieksgerichtheid

Die directe aanspreekvormen in koppen en intro’s zijn een duidelijke uiting van publieksgerichtheid. Er voor zorgen dat mensen journalistieke producties tot zich nemen. Die zie je ook op andere vlakken bij deze start-ups. De Correspondent en Follow the Money doen uitdrukkelijk veel moeite om hun leden te betrekken bij het journalistieke onderzoek. Dat is ook een verrijking van de Nederlandse journalistiek.

Blendle wil artikelen voor lezers selecteren die passen bij hun belangstelling. En introduceerden de datawetenschap in de journalistiek om dat voor elkaar te krijgen. Nu zie je dat andere media daar ook mee aan de slag gaan, zoals Financieel Dagblad. Kortom, ze verrichten pionierswerk waar ook andere media hun voordeel mee kunnen doen.

Categories
Achtergrond Blendle

Blendle, verkoper van losse artikelen, ziet meer brood in abonnees

Jeroen Amelsbeek (27) had in zijn leven nog nooit radio gemaakt. Toch onderhandelde hij vorig jaar over de aankoop van opname-apparatuur en de bouw van een geluidsstudio, hij hield brainstorms met een componist over bedjes, bumpers, en sluiters – audiojargon dat hem een paar weken eerder nog vreemd was – en hij beoordeelde stemmen als ware hij een jurylid van The Voice. “Typisch Blendle”, noemt hij de hele gang van zaken. “Er is een idee, we weten er nog weinig van af, maar ineens gaat iedereen ermee rennen. Een week later zitten we er middenin alsof we er al jaren aan werken.”

In januari van dit jaar werd Blendle Audio gelanceerd. Premiumgebruikers, mensen met een ‘Blendle-abonnement’ die voor een tientje per maand iedere dag een selectie artikelen ontvangen uit verschillende kranten en tijdschriften, krijgen nu ook dagelijks een heuse ochtendshow voorgeschoteld: een stuk of acht voorgelezen stukken. Sinds eind maart is er ook middagshow.

Video – Alexander Klöpping legt uit wat Blendle Audio is

Ineens werd er een opnamestudio gebouwd

“Een groot nieuw ding”, noemt Blendle-baas Alexander Klöpping (31) de audiotoepassing. “Kijk, we hadden al een groep heel trouwe gebruikers – dat zijn de mensen die een abonnement hebben genomen. Maar er zijn ook gebruikers die wél af en toe artikeltjes kopen, maar toch geen abonnement nemen. Zij zijn dus betrokken bij Blendle – maar niet iedere dag. Waarom niet?, vroegen we hen. Er bleek een groep te zijn die eigenlijk niet graag leest, maar die wél graag in de auto of trein onderweg naar het werk naar journalistiek wil luisteren.”

Zoals dat gaat bij Blendle: het nieuwe ‘product’ wordt ontwikkeld on the go. Uitproberen, aanpassen, ‘kijken of het werkt’. Amelsbeek – ooit aangenomen als ‘clippingbaas’, maar met bruikbare ervaring uit de tv- en producerswereld – las de allereerste artikelen nog zelf voor, met zijn eigen opname-apparatuur, gezeten in het slecht geïsoleerde ‘belhok’ van het Blendle-kantoor. Hij ontdekte onder andere dat lang niet alle stukken geschikt zijn voor een audioversie. “Stukken met veel cijfers werken niet, net als verhalen die erg leunen op infographics. Vraag-antwoordinterviews zijn ook moeilijk – je wil geen hoorspel. Reportages lukken het best: journalisten staan ergens middenin en doen daarvan verslag. Je krijgt het ‘we schakelen over naar’-gevoel van radio.”

Er moest een professionele opnamestudio gebouwd, en Amelsbeek concludeerde al snel dat het onmogelijk zou zijn de verhalen pas ‘s ochtends in te spreken. “Daarom hebben we nu toegang tot het FTP van de grote kranten, zodat we kunnen meekijken welke artikelen gedurende de avond in de pagina’s worden gezet.” Soms leidt dat ertoe dat een voorgelezen artikel weer moeten worden weggegooid, omdat de krantenredactie halverwege de avond de boel heeft omgegooid en het artikel ineens niet meer in de krant staat.”

Het abonnement: een nieuwe strategie

De audioshow is één van Blendles trucs om een groter publiek warm te maken voor het Blendle-abonnement. Met dit abonnementsmodel, dat Blendle in januari 2017 lanceerde, is het bedrijf een nieuwe weg ingeslagen – niet voor het eerst. Bij het begin in 2014 waren micropayments nog het sleutelwoord. Want waarom kon je geen losse artikelen kopen? Blendle loste als digitale kiosk een toegangsprobleem op.

Een kleine twee jaar later moest alles wijken voor buitenlanduitbreiding. Marten Blankesteijn, destijds Blendlebaas naast Klöpping, reisde per trein heel Duitsland door om uitgevers te overtuigen, Klöpping ‘deed’ de VS. Er werd een speciale Head of International aangenomen die zich boog over de rest van de wereld. Blendle lanceerde in Duitsland en de VS, er waren bovendien vage en meer concrete plannen voor Japan, Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië, Zweden. De strategie luidde: ‘hard gaan’ en ‘wereldheerschappij’.

En dan was er nog de Blendle-button, waarmee Blendle zich opwierp als serviceverlener aan uitgevers, door een universele betaalmethode te bieden. Uitgevers hoefden daarmee niet ieder hun eigen paywallsysteem op te tuigen, maar zouden allemaal met dezelfde betaalknop losse artikelen kunnen verkopen op hun eigen platform.

“We gooiden een hoop dingen tegen de muur, in de hoop dat er iets bleef plakken”, vat Klöpping samen. “Maar voor het eerst heb ik nu echt door wat het product is dat ik wil maken. Met Premium hebben we het business model gevonden”, zegt hij in augustus 2017, een half jaar na de introductie van Premium. “This is it.

Video – Promotievideo voor Blendle Premium

Het nieuwe business model werpt z’n vruchten af, verzekert Klöpping, al wil hij niet in detail treden. Blendle heeft het liever over minuten dan over geld: lazen gebruikers in 2016 nog 68 miljoen minuten aan betaalde artikelen op Blendle, in 2017 was dit gestegen naar 116 miljoen minuten. Het aantal gelezen artikelen steeg met 67 procent. Een groot deel van de stijging is volgens Klöpping te verklaren door Premium. “Logisch: als mensen van tevoren betalen, consumeren ze vrijer. Bij micropayment is er steeds opnieuw een aankoopbeslissing, en zijn ze voorzichtiger.” Blendle wil niet vertellen hoeveel het nieuwe business model oplevert, noch hoeveel gebruikers nu een abonnement hebben. “Maar reken maar dat de opbrengst per gebruiker met Premium een veelvoud is van de opbrengst per micropayment-gebruiker.”

Minder evangeliseren

Wellicht heeft het vertrek van Marten Blankesteijn een rol gespeeld bij de verandering van strategie. Klöpping was van de twee altijd al degene die zijn pijlen meer richtte op de gebruikers, dan op de uitgevers. Hij stak zijn tijd het liefst in het maken van een ‘mooi consumentenproduct’ – en wilde daarbij zo min mogelijk afleiding. “Marten was meer de evangeliseerder bij de uitgevers”, zegt Klöpping. “Hij had een heel goed oog voor wat uitgevers nodig hebben, en probeerde hen te overtuigen van zijn baanbrekende ideeën.”

Blendle heeft zijn bestaan eraan te danken: Blankesteijn die onvermoeibaar en haast tegen de klippen op zijn ronde doet langs uitgevers. “Neem nou zo’n knop”, gaat Klöpping verder. “Via één account kun je betalen voor artikelen op alle websites van kranten. Wij denken: goed voor de uitgevers, goed voor de gebruikers – iedereen blij. Maar uitgevers blijken dat soort dingen graag in eigen hand te willen houden. Dan kunnen wij wel heel hard roepen: ‘Doe dit nou, dit is goed voor jullie, doe dit nou’, maar op een gegeven moment is dat gewoon een beetje vermoeiend. Marten was meer een doorzetter.” Tegenwoordig zwemt Blendle minder ‘tegen de stroom in’, zegt Klöpping. “Ik zou niet meer zo snel dingen maken waarvan ik vermoed dat uitgevers er niet op zitten te wachten.” Grinnikend: “Misschien ben ik minder arrogant geworden, ik ben minder bezig met hoe ik vind dat zij hun business zouden moeten runnen.”

Hoe wordt Blendle een ‘gewoonte’?

De nieuwe strategie draait om relevantie voor de gebruiker. Oftewel: Hoe groot is Blendles rol in het leven van zijn gebruikers? Openen ze Blendle alleen wanneer ze een artikel opzoeken? Of is Blendle dagelijks hun belangrijkste nieuwsbron? Alle beslissingen die het bedrijf maakt, staan nu in het teken van die vragen. Een kleine twee jaar geleden begon Blendle al nadruk te leggen op curatie: niet de toegang tot de artikelen, maar de selectie ervan moet het bedrijf onmisbaar maken voor de lezer. Blendle bouwt daarom al jaren gestaag aan een aanbevelingsmachine die per gebruiker precies berekent wat hij het liefst leest, en die bovendien steeds nauwkeuriger wordt.. Maar zelfs als Blendle de gebruiker enkel superinteressante artikelen aanbiedt, dan is dat nog geen garantie dat ‘ie ze dagelijks gaat lezen. Klöpping: “Om een abonnement op een papieren krant te negeren, moet je er letterlijk overheen stappen. Maar een app is gewoon één van de talloze icoontjes op je homescreen.”

Blendle worstelt kortom met dezelfde dilemma’s als zovele andere techbedrijven: de strijd om aandacht van de gebruiker. Niet voor niets gelden bedrijven als Spotify en Instagram als inspiratiebron. Zo wijst Klöpping op een ideetje dat ‘ie van Instagram Stories heeft gejat: de icoontjes bovenin wijzen de Premiumgebruiker op speciaal voor hem geselecteerde verhalen. “We merken dat dit soort interfaces het gemakkelijker maken om tussendoor te snacken. De artikelen zijn exact dezelfde, maar de drempel om ze te openen is lager dan bij een ‘normale’ verticale lijst met aanbevelingen.” Zoals sommigen zelfs op de wc haast gedachteloos de Facebook-app openen, zo moet ook Blendle een onvermijdelijke plek krijgen in het dagelijks leven.

Toon en benadering

“We zijn bezig een gewoonte te creëren”, omschrijft audiobaas Amelsbeek zijn missie. Het criterium voor de selectie voor de ochtendshow luidt dan ook: wat moet je weten voor een goed begin van je dag? Volgens de redactie zijn dat zowel artikelen die het belangrijkste nieuws duiden, als human interest-verhalen en verrassende columns. Voor de middagshow gelden andere criteria: onderweg naar huis of tijdens het koken hebben luisteraars volgens Blendle behoefte aan lichtere verhalen rond één thema.

De relevantie zit hem ook in de toon en benadering. Zo begroet de ochtendshow de luisteraar bij zijn voornaam, en net als in een echte nieuwsshow komt de weersverwachting voorbij. Amelsbeek ziet nog veel meer mogelijkheden om aan te sluiten bij de belevingswereld van de gebruiker. “Ik zou het onwijs goed vinden als we je op je verjaardag in audio feliciteren. En hoe vet zou het zijn als we je kunnen vertellen welke vertragingen er zijn – niet in heel Nederland, maar alleen op jouw traject.” Als inspiratiebron noemt hij praatpalen als Google Home en Alexa. Bij Amelsbeek thuis staat er ook eentje: iedere ochtend vertelt zijn Google Home hem wat er die dag in zijn agenda staat.

De Blendle-stemmen ronselde Amelsbeek bij de School voor Journalistiek in Utrecht. Studenten – ook op andere afdelingen werken er velen bij Blendle – zijn goedkoop, maar dat was niet de belangrijkste overweging, zegt Amelsbeek. “Ik wilde geen typische voice-overs, geen stemmen die je overal al hoort en die je alles zouden kunnen verkopen. Blendle moest een uniek stemgeluid krijgen.” Net in de nieuwsbrief, heeft de Blendle-redactie eigen aanbevelingen geschreven. Amelsbeek noemt de toon van de ochtendshow ‘nieuwsgierig’ en ‘niet maatschappelijk teleurgesteld’. “Er is ellende in de wereld en daarover moet je bijgepraat worden, maar uit het programma spreekt vooral dat we zin hebben in het leven.”

‘Blendle speelt voor uitgevertje’

Een ochtendshow met een uniek stemgeluid – ‘Zie je wel’, zullen sommige uitgevers denken, ‘Blendle speelt zelf voor uitgevertje.’ Het was de voornaamste reden dat NRC al vlak na de lancering van Premium besloot met Blendle te stoppen. Blendle bood niet langer een aanvullende dienst aan als losse-stukjes-verkoper, maar wierf nu zelf abonnementen – met andermans materiaal, constateerde NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch. Ook De Telegraaf stapte uit Blendle Premium omdat de krant vindt dat Blendle zich te veel als uitgever gedraagt – losse artikelen van De Telegraaf zijn nog wél in Blendle te lezen.

Bij Blendle stuit het verwijt van uitgevertje spelen standaard op een hoop gezucht. Met Premium zit Blendle niet in het vaarwater van de uitgevers, want Premium bereikt een andere groep, redeneert Blendle. Namelijk mensen die geen abonnement op één titel willen, maar wél bereid zijn een vast bedrag per maand te betalen voor journalistiek. De audioshows moet je dus ook niet zien als nieuw product, maar als ‘warme aanbeveling van de beste artikelen van die dag’, zegt Amelsbeek. “Bovendien heeft de gebruiker nog altijd de macht om een artikel te skippen. Als je geen zin hebt in een bepaald onderwerp, swipe je naar het volgende. Je moet het niet zien als eigen programma, maar als een playlist.”

Grijs gebied

Het onderscheid tussen artikelen doorverkopen en een product maken, is geen makkelijke, vindt ook CEO van de Persgroep Nederland Erik Roddenhof. “Het is een grijs gebied. Ook ik ben van mening dat Blendle geen uitgever moet worden.” ‘Vooralsnog’ is Roddenhof daar niet bang voor: er zijn afspraken over gemaakt. Zo staat onder andere in het contract dat Blendle altijd moet vermelden uit welke titel een artikel komt, en dat Blendle de artikelen niet mag bewerken. Mede om die reden zet Blendle altijd een producer naast de voorlezende student, om te controleren of de voiceover wel tekstvast blijft.

Het vertrek van NRC leidde niet tot een daling in Blendle-gebruik, liet Klöpping niet na overal te benadrukken. Toch zit de kwetsbaarheid van het abonnementsmodel wel degelijk bij het animo van de uitgevers, denkt Herman Kienhuis, die voor het startup-investeringsfonds van KPN bepaalt in welke startups en scaleups KPN geld steekt. In het verleden deed hij dit voor de digitale tak van tijdschriftenuitgever Sanoma en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek. “Bij een abonnement is het – nog meer dan bij micropayment – belangrijk dat je een breed assortiment hebt. Het succes valt of staat bij je catalogus. Je ziet het ook bij Spotify: je moet niet te veel artiesten als Taylor Swift hebben, want dan gaat het wankelen.”

Het is voor kranten (net als voor popartiesten) bovendien steeds makkelijker de consumenten zelf online direct te bereiken, zegt Kienhuis. “Zeker wanneer je een sterk merk bent, heb je niet per se die tussenkanalen meer nodig.” Een krant die goed verkoopt in Blendle, zou zich kunnen afvragen: waarom doe ik dit niet zelf? Kienhuis zag dan ook meer in de Blendle-knop als dienst aan uitgevers. “Blendle hoeft dan niet zelf de gebruikers binnen te halen – dat kan het aan de kranten overlaten.”

‘Onzeker voortbestaan’

Om voet aan de grond te krijgen met het abonnement, moet Blendle hoe dan ook een groter en breder publiek aanspreken. Lange tijd deed Blendle niet aan marketing. Klöpping: “Met wat PR kwamen we een heel eind. Op eigen kracht hebben we een groep van 1,5 miljoen gebruikers opgebouwd in Nederland, de VS en Duitsland. Dat is heel vet, maar nu is het tijd is om harder te groeien.” Dat vinden ook de investeerders, het Japanse Nikkei en het Nederlandse investeringsfonds Inkef Capital, waar Blendle bij een tweede investeringsronde in 2017 geld ophaalde.“Zij zeggen: wij investeren opdat jij aan marketing kunt doen.”

Hoeveel de investeerders in Blendle staken, is niet bekend gemaakt. Over cijfers wil Blendle überhaupt nooit iets kwijt. Het enige wat naar buitenkomt, is via het jaarverslag dat bij de KvK moet worden ingeleverd. Daaruit blijkt dat het verlies in 2016 is opgelopen tot min 2,4 miljoen, in 2015 bedroeg het nog min 1,5 miljoen. Dat er in juli negen mensen tegelijk werden ontslagen, maakte het beeld er niet beter op. . Doemdenkers in de media berichtten prompt over het ‘onzekere voortbestaan’ van Blendle.

Dat startups de eerste jaren, zelfs hun eerste decennia, flink verlies draaien, is echter eerder regel dan uitzondering Maar dat Blendle nieuwe investeringen ophaalde en tóch mensen ontslaat, was wél wat atypisch. Volgens Klöpping had hij te snel te ‘zware’ functies in het leven geroepen. “Het waren mensen die je inhuurt op ambitie: voor marketing, om partnerships op te zetten, business development. Ik had gedacht dat we sneller zouden gaan. Dat was een foute inschatting. We konden het nog prima af met de werknemers die er toen zaten: flexibele mensen die we in allerlei functies konden inzetten.”

‘Alles zelf doen’ – Lessen voor het buitenland

Die ontslagen types zouden nu pas, een half jaar later, een beetje van pas zijn gekomen, denkt Klöpping. Tijdens de Olympische Spelen in februari lanceerde Blendle zijn eerste reclamecampagne, met spotjes op NPO, RTL én internet, en posters in bushokjes. Er kwam geen reclamebureau aan te pas: op z’n Blendle’s wilde het bedrijf het zélf doen. Amelsbeek, een perfecte illustratie van het type multi-inzetbare werknemer waarover Klöpping het had, leidde het marketingproject. Hij ging de straat op om ter inspiratie abri’s te fotograferen, en schakelde acteurs, fotografen en cameralui in die hij nog kende uit zijn televisietijd.

Video – Reclamespotje van Blendle

Ze leerden er wederom veel van: “In de TV-commercial zijn we bijvoorbeeld vergeten te vertellen uit welke titels de artikelen afkomstig zijn”, vertelt Klöpping. “Aan de ene kant probeer je in zo’n spotje zo weinig mogelijk tekst te stoppen, want je weet dat kijkers ondertussen iets anders doen. Aan de andere kant moeten ze wel kunnen snappen wat het product inhoudt. Leuk dat je in de auto kunt luisteren, maar waarnaar eigenlijk?”

Zinvolle lessen, want straks wil Blendle hetzelfde trucje in het buitenland doen. “We maken niets wat alleen op Nederland is gericht – alles is ook voor het buitenland”, zegt Klöpping. Zodra het abonnementsmodel in Nederland staat, en Blendle heeft uitgevogeld ‘hoe marketing werkt’, volgt de invoering van het premiummodel in de VS en Duitsland. Tot die tijd staan die landen ‘on hold’.

Nieuwe investering

Om Premium in het buitenland te lanceren, is ook daar een marketingcampagne nodig – en dus extra geld. Op 14 mei maakte Alexander Klöpping in een blogpost bekend dat Blendle een kapitaalinjectie van vier miljoen euro heeft binnengesleept. De investeerders zijn de Deense ondernemer Morten Strunge en Novamedia, het bedrijf achter de Postcode Loterij en Bookspot, een online boekwinkel.

Klöpping verwacht niet dat Blendle dit jaar nog nieuwe landen zal veroveren. “Maar mijn handen jeuken om er volgend jaar weer mee aan de slag te gaan.” Hij weet nog niet waar. “Het heeft niet zo veel zin om zo ver vooruit te plannen. We zitten in een intens veranderlijke markt. De manier waarop uitgevers omgaan met micropayments, Facebook, video’s – het verandert iedere week. Het ene moment hollen ze met z’n allen ergens achteraan, het volgende moment rennen ze totaal de andere kant op. Ik zie ons als een speedbootje dat overal tussendoor vaart. Dat betekent ook dat wij alleen kortetermijnplanningen kunnen hebben. Verder dan drie maanden kijk ik niet meer vooruit.”

Categories
Interview Jalta

De nieuwe formule van Jalta: tegen het ondergangsdenken

Na de zomercrisis van 2016 kondigde uitgever/hoofdredacteur Joshua Livestro vier nieuwe medewerkers aan ter vervanging van de boos opgestapte Bart Schut, Esther Voet en Sietske Bergsma, de drie meest spraakmakende geluiden na het eerdere vertrek van Annabel Nanninga.

Die belofte werd maar deels ingelost. De nieuwe gezichten hielden het bovendien al snel voor gezien. Phaedra Werkhoven kwam bijvoorbeeld niet verder dan vier bijdragen. “Joshua Livestro vroeg mij meer research te doen voor mijn laatste stuk, maar omdat ik maar 200 euro betaald kreeg voelde ik er niets voor om nog allerlei boeken te gaan lezen en websites af te struinen”, legt zij desgevraagd uit. “We hebben toen afgesproken dat ik alleen nog zou schrijven over onderwerpen waar ik al veel van afwist. Daarna is het doodgebloed.”

Uit de al flink uitgedunde vaste redactie verdween eind 2016 ook financieel-economisch zwaargewicht Edin Mujagic. Hij vertrok naar Follow the Money. Mujagic wil zelf desgevraagd niet kwijt waarom, maar Livestro zegt dat ook hier de honorering een rol speelde. “Je moet bij dit soort sites met een marginale omzet accepteren dat je goede mensen niet kunt vasthouden. Toen ik De Dagelijkse Standaard uitgaf had ik dat probleem ook.”

In plaats van in te zetten op meer nieuwe medewerkers paste Livestro na Mujagic’ vertrek de redactionele formule aan. “We hebben gekozen voor een model waarbij je met een paar vaste redacteuren werkt, naar model van het Amerikaanse blog Hot Air.”

Scheiding der geesten op rechts

Hierna gingen historicus/theoloog Ewout Klei en student politicologie Rik de Jong het blog grotendeels vullen, aangevuld met incidentele bijdragen van andere freelancers. “Het aantrekkelijke is dat die twee de werklast onderling verdelen en er een sterkere gezamenlijke lijn is ontstaan”, zegt Livestro. “Dat was belangrijk, want de afgelopen anderhalf à twee jaar is er in het rechtse kamp, meer nog dan in het linkse, een soort scheiding der geesten opgetreden. Ik vind het belangrijk dat Jalta daarin een herkenbaar eigen geluid vertegenwoordigt.”

Ewout Klei, een van de drijvende krachten van Jalta.

Jalta wilde oorspronkelijk een breed platform voor rechtsdenkenden zijn, maar dat bleek niet langer haalbaar na Angela Merkels ‘Wir schaffen das’ en de Parijse terreuraanslagen uit 2015, concludeerde Livestro. “De rekkelijken en de preciezen, die je altijd hebt in Nederland, zijn daarna van elkaar weggedreven op rechts. Wij zijn een rekkelijk platform, maar zijn daar wel in toenemende mate vrij precies in geworden.”

De scheiding van geesten heeft volgens Livestro vooral plaatsgevonden rond het thema ‘immigratie’. “Bij een aanzienlijk deel van de rechtse intellectuele gemeente is er een soort ondergangsdenken in geslopen. Die pessimisten zien ontwikkelingen die niet meer te keren zijn of alleen met de meest radicale maatregelen. Dat staat haaks op het optimistische, relativerende geluid dat Jalta wil laten horen. Dat ondergangsdenken is objectieve onzin, maar dat is op dit moment wel een minderheidsstandpunt op rechts en moet daarom eigen ruimte krijgen. Een breed rechts platform is geen houdbaar concept meer. Kijk bijvoorbeeld naar Elsevier waar ze dat nog wel proberen, wat ertoe leidt dat redacteuren elkaars stukken totaal affakkelen. Daardoor word je als lezer gedwongen om te kiezen voor de ene of de andere Elsevier. Bij Jalta kwamen we tot de conclusie dat je eenduidig moet zijn. Daarmee maak je het voor jezelf makkelijker en uiteindelijk ook voor de lezer.”

Zelf schrijft Livestro door persoonlijke omstandigheden mondjesmaat voor Jalta. “Ik heb mijn zoon twee jaar geleden van school moeten halen en ben daarna begonnen met thuisonderwijs geven. Hij heeft een autistische stoornis waarmee hij moeilijk kan functioneren in klassikaal onderwijs op de middelbare school. Het zal nog wel een paar jaar duren voordat ik weer tijd heb om elke dag te schrijven. Mijn tweewekelijkse column voor de NRC schrijven is al een behoorlijke opgave voor me.”

Wel spreek Livestro elke week telefonisch met Ewout Klei over de redactionele lijn en over goede onderwerpen en taalgebruik. “Hij runt Jalta van dag tot dag. Ik ben maar een halve week per maand in Nederland voor redactionele en andere zaken. Ik woon tegenwoordig op Guernsey, waar mijn vrouw een baan heeft.”

Joshua Livestro in een uitzending van het televisieprogramma Medialogica van de omroep Human.

De lezers van Jalta

Sinds het weghalen van de betaalmuur in juni 2017 zijn de artikelen van Jalta breder toegankelijk en makkelijker deelbaar. Het aantal lezers van Jalta is daardoor toegenomen, zegt Livestro, maar hij wil niet zeggen hoeveel dat er nu zijn.

Welk soort lezers Jalta op dit moment trekt weet hij alleen bij benadering. “Toen we nog een abonneemodel hanteerden hadden we daar preciezere informatie over, maar via onze doorplaatsingen op Facebook komen we wel iets te weten komen over ons publiek. Dat zijn nog steeds dezelfde randstedelijke lezers die we al hadden, maar de meer PVV of Forum voor Democratie angehauchte lezers zullen wel zijn vertrokken. Die zitten meer bij GeenStijl, De Dagelijkse Standaard en ThePostOnline. Dat type lezers komt hooguit nog bij ons om zich te ergeren. Die factor heb je ook op het web. Joop doet dat heel knap. Die site bedient zijn eigen achterban, maar trekt ook lezers als blog they love to hate].”

Financiën

Over de financiën van Jalta is Livestro nog altijd weinig mededeelzaam. “Na onze overstap naar een donatiemodel is een deel van de oude abonnees afgehaakt. De inkomsten uit abonneegelden hebben we deels kunnen vervangen door advertentieomzet via Google AdWords. Ons doel is zo groot te worden dat we alleen op advertenties kunnen draaien, zodat alles wat we aan donaties ontvangen meerwaarde heeft. We hebben een bescheiden maar mooie basis aan donoren, waarmee we Jalta draaiende kunnen houden.”

Mensen die duizenden euro’s doneren zitten er niet bij. Beweringen op sociale media dat Jalta een donatie zou hebben ontvangen van de Hongaars-Amerikaanse miljardair George Soros doet Livestro eerst af met een grapje, maar vervolgens reageert hij ook geïrriteerd. “Het is te maf voor woorden dat mensen geloven dat Soros externe financier is achter Jalta. Als hij geld zou hebben gegeven, zou ik dat overigens keurig hebben toegegeven. Sterker nog, ik zou daar heel dankbaar voor zijn geweest, zoals met elke donatie. Maar het is dus flauwekul.”

Twee junior-redacteuren

Eind november vertrok ook Rik de Jong bij Jalta, omdat hij het te druk heeft met “andere werkzaamheden”. Hij staat op de VVD-lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen in Gouda. De Jong is vervangen door twee junior-redacteuren: rechtenstudent Fabian van Hal en Leon Korteweg (oud-student geschiedenis).

Van Hal is opmerkelijk genoeg oud-bestuurslid van DWARS, de jongerentak van GroenLinks. Die achtergrond levert geen ideologische problemen op bij de stukken die hij nu schrijft voor Jalta, zegt hij zelf desgevraagd. Korteweg was vroeger naar eigen zeggen “erg rechts”, maar is tegenwoordig vrijdenker en scepticus.

Adjunct-hoofdredacteur Ewout Klei zegt uitstekend met de twee te kunnen samenwerken. “Fabian heeft een liberale mindset en Leon is goed in denken over toekomstvraagstukken. Ze zijn net als ik erg kritisch op rabiate politieke geluiden, zowel uit linkse als uit rechtse hoek en passen daarom uitstekend bij de optimistische relativerende toon die wij als Jalta willen laten horen en die te weinig ruimte krijgt in andere media. Misschien is het wel tijd voor verandering van de slogan ‘The right story’ waarmee Jalta in 2014 begon, want die dekt eigenlijk de lading niet meer door de radicalisering die er sindsdien op rechts is geweest.”

Categories
Achtergrond De Correspondent

Vier jaar De Correspondent: een tussenbalans

In vier jaar tijd is De Correspondent gegroeid naar 60.000 leden, het redactiekantoor is te klein geworden, het heeft een vaste plek veroverd in het medialandschap en vooral: het platform staat aan de vooravond van een historische stap. Oprichters Rob Wijnberg en Ernst-Jan Pfauth zijn naar New York verhuisd om daar in 2018 de Engelstalige The Correspondent te lanceren.

Het gaat De Correspondent voor de wind, maar zoals dat gaat bij start-ups, liep niet alles vanaf dag één zo vlot. De ‘tuinen’ waar het platform aanvankelijk op gebaseerd was mislukten, er werd veel geïnvesteerd in eenmalige projecten en een van de slimste zetten was het uitgeven van papieren boeken. Een overzicht van vier jaar voortschrijdend inzicht.

Groeiend aantal leden

Misschien was 1 oktober 2014 wel de spannendste dag op de redactie van De Correspondent. Niet de oprichting op 30 september 2013, maar precies één jaar en één dag later, toen alle lidmaatschappen van de leden van het eerste uur afliepen. Hoeveel mensen zouden de moeite nemen om hun ‘dagelijks medicijn tegen de waan van de dag’ te verlengen?

Het platform was het eerste jaar verzekerd geweest van een mooi startkapitaal. Zo’n 1,3 miljoen euro. Dat kwam grotendeels van de leden die zich tijdens de crowdfundingscampagne voor 60 euro een jaar lang lid hadden verklaard. Dat was voornamelijk uit nieuwsgierigheid en goodwill geweest, want ten tijde van de campagne was er nog niets te lezen of te zien. Er was alleen een idee.

De donateurs waren vermoedelijk aangestoken door het enthousiasme waarmee dat idee werd gepresenteerd, en de BN’ers die zich erachter schaarden. Het zou dus niet eerlijk zijn om het lidmaatschap stilzwijgend te verlengen, vonden de oprichters. Hun crowdfunders zouden handmatig moeten verlengen. Dat was meteen een goede indicatie van de waardering voor het platform.

Op 1 oktober checkte uitgever Ernst-Jan Pfauth de cijfers. “Vijfenzestig procent had verlengd. Bewust gekozen dus. Dat zo’n grote groep het goed vond, plus de groei van nieuwe mensen erbij… Toen dacht ik: oké, dit is duurzaam. Er is behoefte aan. Dit werkt.”

Een jaar eerder was het eerste verhaal verspreid onder ongeveer 20.000 leden. Dat aantal groeide tot die spannende dag in 2014 tot 32.000 en zakte toen onvermijdelijk even in. Maar in januari 2015 passeerde de teller opnieuw de 30.000 leden en daarna groeide het ledental met grofweg 10.000 per jaar tot ruim 60.000 momenteel.

Investeren in journalistiek

Het groeiend aantal leden betekent dat er steeds meer geld binnenkomt. Alleen aan abonnementen is dat nu 60.000 x 60 euro = 3,6 miljoen euro. Daar komen dan nog fondsen bij zoals die van Stichting Democratie en Media die De Correspondent in 2013 met 450.00 euro hielp en de oprichting van The Correspondent met 600.000 euro steunt. Het heeft ertoe geleid dat de redactie kon groeien. In september 2017 had De Correspondent 46 vaste medewerkers plus een legertje freelancers. Van die 46 waren er 21 publicerende correspondenten.

De bedrijfsvoering is tamelijk simpel. Wat binnenkomt wordt geïnvesteerd in journalistiek. Dat wil zeggen in salarissen en honoraria van journalisten en beeldmakers (63,3% in 2016), in technische ontwikkeling (8,9%), in huur van de redactie, vertalingen en andere kosten om het journalistieke product te maken.

Die overzichtelijke bedrijfsvoering onderscheidt De Correspondent van traditionele kranten en magazines waar uitgeverijen en aandeelhouders winst mee willen maken. Het platform draait zonder investeerders die een winstuitkering kunnen vragen, er is geen geld dat naar iemand ‘terug’ moet vloeien. Officieel hebben de oprichters van De Correspondent het recht om zichzelf jaarlijks tot 5 procent winst uit te betalen, maar hebben dit de afgelopen vier jaar nog niet gedaan.

Door deze bedrijfsvoering is het platform, in theorie, niet afhankelijk van groei. Pfauth: “Maar we willen natuurlijk wel een kritieke massa.” Hij memoreert graag dat het journalistieke crowdfunding-wereldrecord van De Correspondent nog altijd staat: weliswaar niet in euro’s, maar wel in aantal funders.

De samenwerking met Momkai

De oprichters van ontwerpbureau Momkai, Harald Dunnink en Sebastiaan Kersten, zijn mede-eigenaar van De Correspondent en The Correspondent. Samen met Ernst-Jan Pfauth en Rob Wijnberg hebben zij voor de toekomst nog een ijzer in het vuur liggen: naast de BV De Correspondent zit het viertal ook de BV Include (voorheen Respondens). Dat is het CMS dat De Correspondent gebruikt. Ooit moet dat gelicenseerd kunnen worden aan andere gebruikers.

Sebastian Kersten en Harald Dunnink van Momkai (van rechts naar links) in overleg met Ernst-Jan Pfauth, Rob Wijnberg en Milou Klein Lankhorst van De Correspondent (van links naar rechts). Foto: Momkai.

Pfauth legt de verhouding tussen de bedrijven uit. “Bij de start maakten we gebruik van de developers van Momkai, maar sinds 2014 zijn we onze eigen mensen gaan aannemen. Voor de software heeft De Correspondent een eeuwigdurende gratis licentie voor Include.”

Ontwerpbureau Momkai is een belangrijk onderdeel van het succes van De Correspondent. Het bedrijf dat opdrachten doet voor grote internationale merken is zeer nauw betrokken bij het journalistieke platform. In 2018 zal de redactie van De Correspondent waarschijnlijk verhuizen naar een verdieping in hetzelfde pand als Momkai.

Rob Wijnberg noemde de samenwerking al eens de beste beslissing die ze namen bij de oprichting, omdat Momkai in staat was zowel een crowdfundingscampagne, als ontwerp, als techniek te leveren. En vooral: Dunnink en Kersten deelden Wijnbergs en Pfauths visie op de journalistiek.

Het is illustratief voor één van de succesfactoren van De Correspondent: het samenvallen van journalistiek, ondernemen en idealisme. Steeds wanneer er de afgelopen jaren veranderingen werden doorgevoerd, wist De Correspondent daar altijd een journalistieke reden voor te geven die, vast niet geheel toevallig, ook bijdroeg aan de kassa.

Leden versus abonnees

Veel van die doorgevoerde veranderingen hadden betrekking op het lidmaatschap. Dat wordt zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt, waardoor meer mensen lid worden en blijven, terwijl vrijwel alle stukken ook gratis te lezen zijn voor niet-leden. Maar voor De Correspondent is dat lidmaatschap meer dan geld overmaken. Het raakt aan de kern van de journalistieke gedachte van het platform. Journalisten hebben hun publiek nodig als bron van kennis en als kritische volgers die gedurende het hele journalistieke proces nieuwe bronnen, inzichten, onderwerpen en invalshoeken aandragen.

Daarnaast is er het streven naar constructieve journalistiek, of actiejournalistiek, waarbij publicaties leiden tot veranderingen of in elk geval het publiek activeren. Ook daarvoor heeft De Correspondent zijn leden nodig. Op die manier zijn de leden van De Correspondent, anders dan de abonnees van een krant of magazine; ze zijn meer dan alleen financiële bijdragers, ze vormen een community.

The Membership Puzzle

Dat onderscheid tussen abonnees en leden maken ook mediaprofessor Jay Rosen en research director Emily Goligoski in een onderzoek dat gericht is op de mogelijkheden voor The Correspondent in Amerika. The Membership Puzzle Project bekijkt onder meer wat de redenen zijn dat mensen lid worden van een journalistiek platform.

Vooral bevindingen nummer 9 en 13 van hun onderzoek geeft inzicht in de bijzondere relatie tussen De Correspondent en zijn leden.

Het blijkt dat De Correspondent veel leden heeft die hun financiële steun niet vanwege persoonlijk nut leveren, maar vanuit een morele overweging. En volgens Jay Rosen wordt bij de leden hun idealisme aangewakkerd door De Correspondent, omdat de constructieve journalistiek hen het idee geeft dat ze invloed kunnen hebben op de complexe wereld.

Naar Amerika

Dat Rosen betrokken is bij De Correspondent is gericht op de grootste stap van in het korte bestaan van het platform: de oversteek naar Amerika. De komende tijd moet blijken of deze stap naar een internationaal podium net zo inhoudelijk gefundeerd is als eerdere veranderingen in de structuur van De Correspondent.

Pfauth en Wijnberg hebben er nooit een geheim van gemaakt dat ze ooit naar het buitenland wilden met hun ideeën. De journalistieke reden die hiervoor wordt aangedragen is dat met een internationaal netwerk de publicaties beter en relevanter zullen worden. Tegelijkertijd zal ook de groei en eventuele roem aanlokkelijk zijn.

Pfauth: “Voor mij is New York een jongensdroom. Ik vind het een geweldige stad en heb altijd gezegd dat ik er een keer wilde wonen. Maar eerlijk gezegd hoeft dat van mij nu niet meer vanwege de stad zelf, want het is een harde stad. Maar nu hebben we een goede reden om erheen te gaan. Daardoor komt die jongensdroom toch nog uit.”

Overigens bezweren Wijnberg en Pfauth dat het Amerikaanse avontuur De Correspondent (in Nederland) niets kost. Alle kosten in Amerika worden betaald uit de fondsen van The Knight Foundation en Democracy Fund (die het onderzoek van Jay Rosen financieren), Stichting Democratie en Media en andere Amerikaanse fondsen, zoals Craig Newmark Philantropies die onlangs een ton beschikbaar stelde voor een hoofdredacteur voor The Correspondent.

Boeken

Gevraagd naar de belangrijkste beslissingen in de bedrijfsvoering van de afgelopen vier jaar antwoordt Pfauth: “Dat we op een gegeven moment hebben besloten om niet alleen via de site verhalen te brengen, maar ook boeken uit te geven, correspondenten te trainen als sprekers en dat we bijeenkomsten zijn gaan organiseren.”

De offline-werkzaamheden zijn dus belangrijker geworden. Het eerste boek dat De Correspondent uitgaf, Gratis geld voor iedereen van Rutger Bregman, is meteen het grootste succes. Het is in 17 talen vertaald en Bregman wordt als spreker uitgenodigd over de hele wereld. Dat gebeurt onder de vlag van De Correspondent en is daarmee ook een uitstekend visitekaartje voor de internationale ambities van het platform.

Op 15 september 2014 verscheen het eerste boek bij De Correspondent: Gratis geld voor iedereen, van Rutger Bregman.

In 2016 kwam 14 procent van de inkomsten van De Correspondent van de uitgeverij, dat was 3,4 procent een jaar eerder. Vijf procent kwam van het sprekersbureau (was 7,6 procent). Ook hier benadrukt Pfauth graag dat het niet alleen om de financiën gaat, maar ook om het gevoel van community en de sociale impact. Bregmans boek geeft voeding aan het debat over het basisinkomen, een experiment dat op verschillende plekken ook in praktijk gebracht.

Pfauth: “We zijn ons geleidelijk gaan realiseren dat het vooral om journalistiek talent gaat, in plaats van een redactie die stukken levert. Dat talent zijn we gaan trainen met coachingsprogramma’s. Floor Milar van het sprekersbureau coacht journalisten bijvoorbeeld om te spreken of om het verhaal krachtiger naar voren te brengen. Rondom de correspondenten vormen zich steeds meer communities die de basis vormen voor De Correspondent.”

Tuinen

Dat het om individuen ging, was bij aanvang van De Correspondent al de bedoeling. Op een poster van de crowdfundingscampagne die nog op de redactie hangt zijn de hoofden van onder anderen Femke Halsema, Joris Luyendijk en Jelle Brand Corstius te zien.

De Correspondent zette voor de crowdfunding bekende namen in als Arnon Grunberg, Joris Luyendijk, Femke Halsema en Alexander Klöpping.

Maar dat waren nog niet de nieuwe talenten die nu centraal staan. Bovendien was het idee toen nog dat elke correspondent zijn eigen online ‘tuin’ zou hebben, waar het de interactie met het publiek zou aangaan. Pfauth: “Dat mogen we inmiddels als een mislukt experiment beschouwen.”

De tuinen leefden niet en leden waren toch minder geneigd één journalist te volgen dan gedacht, de Correspondent zich ontwikkelde juist steeds meer als overkoepelend kwaliteitsmerk waarvan mensen lid wilden worden. Die dualiteit zit nog steeds in het auteurs-platform.

Interactie met publiek

Het probleem van de dode tuinen is inmiddels grotendeels ondervangen door een simpele oplossing: nieuwsbrieven. De nieuwsbrieven worden wel degelijk goed gevolgd als een soort vakblad van dat correspondentschap en leiden ook tot veel interactie met het publiek.

Dat is een ander zeer belangrijk onderdeel van de leercurve van De Correspondent: hoe te putten uit de kennis van lezers? Ook dat was van meet af aan de bedoeling, maar het duurde even voordat De Correspondent het juiste model daarvoor vond. Pfauth: “Bronnen meldden zich wel, maar dat was meestal naar aanleiding van een publicatie, zoals dat ook bij een krant kan gaan.”

De eerste keer dat Pfauth doorkreeg hoe het wél moest, was toen Sander Heijne (toen correspondent Zorg) in een oproepje vroeg of er nog mensen waren die voorbeelden hadden van bureaucratie in de zorg. “Hij kreeg toen honderden huisartsen die hem daarover mailden. Toen realiseerde ik me: je moet gewoon je verhaalideeën delen, dan komen mensen met tips al voordat je gaat schrijven. Wij hebben journalisten nodig die zich als gespreksleiders in de community mengen. Dan krijg je veel meer wisselwerking. Het is nu onze hele journalistieke denkwijze geworden.” Vrijwel elk dossier begint nu met een oproep.

Inkoppertjes

Gevraagd naar de grootste missers – afgezien van de tuinen – noemt Pfauth het Festival de Vooruitgang dat ze organiseerden bij het tweejarig bestaan. “Dat was een prachtige dag, maar het is uit de hand gelopen. Je krijgt een dynamiek die bij De Correspondent hoort: laten we het gewoon doen en dan zien we wel. Maar we doen het dan wel met onze hele hoge standaarden. Het gevolg was dat het een enorme operatie werd die mensen bijna te veel werd.” De redactie kwam nauwelijks meer toe aan de kerntaak: journalistiek bedrijven.

Hij noemt nog een voorbeeld: een enorme kaart die werd gebouwd voor het project Nieuw Nederland van Jelle Brandt Corstius. De kaart is inmiddels niet meer online. “Het kostte superveel development-tijd, maar andere correspondenten hebben er niets aan, omdat je er niet op kan voortbouwen. Laat ik het zo samenvatten: we hebben grote dingen gedaan die one-offs waren. Dat moet je niet doen, dat kost te veel tijd. Zo’n boek van Rutger is anders, omdat het ons veel heeft geleerd over het vertalen van stukken en een Amerikaans netwerk heeft opgeleverd. Maar zo’n intensief festival of een hele dure kaart is eenmalig.”

De kaart van De Correspondent voor het project Nieuw Nederland van Jelle Brandt Corstius.

Pfauth noemt de inkoppertjes dan ook het beste voor een start-up. “Ik heb gemerkt dat vooral de basis heel goed moet zijn en dat je daarin moet investeren. Je moet je niet laten afleiden door alle spectaculaire dingen die mogelijk zijn. Dat komt wel.”

Als voorbeeld noemt hij de virtual reality-bril waar veel van wordt verwacht voor de journalistiek. “Een paar jaar geleden stond op elke conferentie over innovatie in de journalistiek iemand met een mobieltje te zwaaien: mobile is the future. Dat doen ze nu met de VR-bril. Ja, we zouden iets heel vets kunnen doen met de VR-bril, maar dat laat ik liever aan de New York Times die daar een miljoenenadverteerder bij zoekt. Dan kijken wij wel welke lessen eruit te trekken zijn. Wij zoeken het liever in de taak van de journalistiek, dat is waarop wij ons profileren.”

Practice what you preach

In het jaaroverzicht van 2016 blikt Rob Wijnberg terug op vier jaar De Correspondent. Zoals de leden gewend zijn was daarin ook aandacht voor wat niet goed ging. Wijnberg noemt een stuk waarin correspondent Lennart Hofmans foutief berichtte over een wapendeal met Saoedi-Arabië en noemt verder enkele kleine vergrijpen, zoals verkeerde koppen of het ontbreken van context.

Volgens de buitenwacht klopt er wel meer niet bij De Correspondent, vooral de hoogdravende ambities lijken wrevel op te roepen. De kritiek dat de redactie te elitair is, keerde de afgelopen vier jaar op verschillende plekken en in verschillende bewoordingen terug.

De Correspondent is niet blind voor de kritiek en erkent dat de redactie te weinig de samenleving weerspiegelt. En dus kwam er een diversiteitsbeleid.

Het is tekenend dat de 12 founding principles waarmee De Correspondent in Amerika voet aan wal wil krijgen er oorspronkelijk tien waren. Een van de toevoegingen:

The Correspondent seeks to include members and journalists from all walks of life.

Ook de andere toevoeging valt onder het practice what you preach-model:

The Correspondent stands firm on the privacy of our members.

De Correspondent schreef uitgebreid over privacy en wil dat in de praktijk brengen, zoals ook klimaatcorrespondent Jelmer Mommers de redactie klimaatneutraal wil krijgen.

Actiejournalistiek

Als één van de verhalen om trots op te zijn, noemt Wijberg het project Schuldvrij van Jesse Frederik. Het project over de schuldenindustrie kreeg veel bijval in de politiek en ander media. Wat Wijnberg betreft zijn dit de onderwerpen waar De Correspondent meer naar op zoek moet gaan. Hij licht mondeling toe: “Jesse laat zien dat schulden een rode draad zijn voor miljoenen problemen in Nederland. Het is iets dat niets met linkse of rechtse politieke voorkeur te maken heeft: je zag dat zowel de Volkskrant als GeenStijl positief over het project schreven.”

“Wij zullen in het gepolariseerde Amerikaanse medialandschap ongetwijfeld ook in de far-left hoek worden neergezet, maar we kunnen dat frame doorkruisen met zulke onderwerpen.” Zo denkt Wijnberg aan het onderwerp ‘echtscheidingen’. “Het heeft een persoonlijke dimensie, maar raakt ook aan bijvoorbeeld problemen op de woningmarkt en schulden. Het is een onderwerp dat veel andere dingen in de samenleving verklaart.””

Schuldvrij staat ook voor iets anders waarmee De Correspondent zich steeds meer profileert: actiejournalistiek. Het project was niet een beschrijving van wat er mis gaat, maar had de vorm van een campagne: Help mee! Maak jouw gemeente #schuldvrij. Het zal een vorm zijn waar de nieuwe hoofdredactie in Nederland zich meer op zal richten. Die bestaat vanaf januari is uit: Sterre Sprengers, Rosan Smits en Maurits Martijn.

Rob Wijnberg zit inmiddels samen met Ernst-Jan Pfauth in Amerika. Want terwijl de start-up van weleer in Nederland eigenlijk al geen start-up meer is, verlengt het platform de start-up-fase in feite met dit nieuwe avontuur.

In Amerika moet het kunstje van 2013 herhaald worden: via crowdfunding zal The Correspondent van start moeten gaan.

Categories
De Correspondent Interview

Rosan Smits (adjunct-hoofdredacteur De Correspondent): “Ik ben niet bang voor activisme”

Vrijwel gelijktijdig met de aankondiging dat De Correspondent het nu echt gaat proberen in de Verenigde Staten, werd eind maart 2017 ook een onverwachte nieuwe adjunct hoofdredacteur aangenomen: Rosan Smits. Ze werd als volgt geïntroduceerd door haar hoofdredacteur Rob Wijnberg:

‘Geen journalistieke ervaring. Nooit bij een krant of nieuwssite gewerkt. Nul publicaties als journalist op haar naam.’

Het zijn spannende tijden waarin de journalistiek onervaren Smits aan het roer komt te staan. En dan vertrok in augustus ook nog de andere adjunct, Karel Smouter, omdat hij docent op Hogeschool Windesheim werd.

Verbazing over haar overstap

Natuurlijk, het was juist om die scherpe blik van de buitenstaander dat Smits bij De Correspondent werd aangenomen, en Maurits Martijn vult het gat van Smouter als tijdelijk adjunct. Maar toch, ga er maar aan staan om dagelijks leiding te geven aan het clubje ‘hele autonome, zelfstandig denkende mensen die hun eigen principes heel serieus nemen’, zoals zij haar collega’s zelf omschrijft. Juist die autonomie bevalt haar, zelf is ze er ook mee behept. Ze wil het liefst dat correspondenten nog meer hun eigen verontwaardiging en verwondering achterna gaan en die omzetten in actie.

Zelf heeft het haar vooral verbaasd dat anderen zo verbaasd waren over haar overstap. Vanuit Instituut Clingendael, waar ze plaatsvervangend directeur van de Conflict Research Unit was, kreeg ze de vraag waarom ze een goed salaris bij een gerenommeerd instituut opgaf voor de onzekerheid van een start-up. Vervolgens was ze nauwelijks begonnen bij De Correspondent of er stonden al mediajournalisten op de stoep. Voor haar.

Smits: ‘Man, media schrijven veel over media! De samenleving polariseert, we hebben een vluchtelingencrisis, de EU zet beleid uit waardoor alle Sahel-migratie wordt gecriminaliseerd. En wat doen we? We schrijven over Rosan Smits die adjunct wordt.’

Maar toch nog even, vanwaar die overstap?

‘Voor mij was die juist heel natuurlijk. Het onderzoek naar conflicten dat ik deed bij Cingendael kwam tot stand in samenspraak met de mensen die er iets mee moesten, zoals beleidsmakers. Dat lijkt op de interactie van De Correspondent met leden. En ook de manier waarop we die bevindingen delen: transparant over wat je wel en niet weet. Ik was er bovendien erg mee bezig om met visuele middelen te publiceren, zoals we ook meer bij De Correspondent willen doen. Er werd bij Clingendael toch vaak een dik rapport van 80 pagina’s van me verwacht, maar ik geloof niet dat je daar veel impact mee hebt.

‘Ik had nog een tweede overweging. Ik bestudeerde al dertien jaar conflicten en zag hoe media daarin een steeds grotere rol kregen, omdat ze toegankelijker zijn geworden. Het beheersen van de boodschap is makkelijker geworden en wordt vaak onderdeel van een strategie. Het is de politisering van de media, of zelfs media als geweldsmiddel.

‘Bovendien zag ik dat die dynamieken ook steeds meer in de westerse samenleving voorkomen op alle niveaus: het verspreiden van vooroordelen, stereotyperingen, de manier waarop Trump werkt. In Nederland krijgen steeds meer kanalen een politieke kleur. Ik zag dat De Correspondent als een van de weinige die polarisatie en manipulatie van media tegengaat door een gesprek erover te hebben met het publiek.’

De verbazing over je overstap zal ermee te maken hebben gehad dat je niet uit de journalistiek komt en nu leiding geeft aan…

‘Wat is ‘de journalistiek’ volgens jou?’

Nou ja, dat zijn journalisten. Mijn punt is dat daar de verbazing zit: je komt niet uit de traditionele journalistiek.

‘Ik vind journalistiek een heel breed begrip. Het gaat uiteindelijk om mensen die goed onderzoek doen en met hun verhalen en inzichten vooroordelen uit de weg helpen, en de macht controleren. Macht is veel diffuser dan het was, dus traditionele media kunnen dat niet zo goed meer.’

Waarom niet?

‘Nou, de centraal-politieke macht wel, denk ik. Voor de duidelijkheid: traditionele media doen op dat vlak ontzettend belangrijk werk. Maar macht en politiek raken gefragmenteerd, het speelt zich lang niet altijd enkel op nationaal niveau af. Al Qaeda is een goed voorbeeld. Dat is een netwerk met een soort transnationaal ideologische besmetting. Met hyperlokale uitingen daarvan.

‘Traditionele media zijn veel meer gebonden aan wat traditionele politiek is en wat landsgrenzen zijn. Door de manier waarop De Correspondent werkt kunnen wij makkelijker schakelen tussen verschillende niveaus. Zeker wanneer we straks internationaal zijn, kunnen we veel makkelijker samenwerken over de grenzen heen. En het is internationaal toegankelijker omdat het online staat.’

Is het een van jouw rollen om meer internationale verhalen te krijgen, gezien jouw netwerk?

‘Nee, ik ben adjunct van de Nederlandse redactie. Natuurlijk is dat netwerk er en dat zal ik inzetten, maar mijn doel is om de Nederlandse redactie goed te laten lopen.’

De Correspondent-avatar van Rosan Smits.

Jouw voorganger Karel Smouter legde heel duidelijk de nadruk op wat jullie ‘constructieve journalistiek’ noemen. Welke accenten wil jij leggen?

‘Ik omarm die lijn van constructieve journalistiek volledig. Misschien kunnen we daarin zelfs nog een stapje verder gaan. Dat we niet alleen in onze stukken nadenken over oplossingen voor misstanden, maar ook echt handelen. Zoals bij schuldvrij van Jesse Frederik. Hij begon met schrijven en raakte verontwaardigd over de schuldenindustrie. Naar aanleiding van zijn stuk kwamen kamervragen. Toen zat hij te foeteren achter zijn bureau: ‘Dit zijn helemaal niet de vragen die je moet stellen!’. Dus ik zei: zorg er dan voor dat de juiste vragen wel gesteld worden. Meer had hij niet nodig, hij is aan de slag gegaan. Daar is uiteindelijk het manifest van Schuldvrij uitgekomen en nu worden er beleidsaanpassingen gedaan.’

Dus je wil meer activisme?

‘Ja, ik ben daar niet bang voor.’

Ook daarover trekken veel mensen uit de traditionele media hun wenkbrauwen weer op.

‘Jazeker. We krijgen vaak de vraag of dat nog wel journalistiek is. Misschien zijn we de betekenis van journalistiek aan het verdiepen. Als correspondenten in hun onderzoek iets zien dat echt niet goed gaat, kunnen ze erover schrijven, maar dat alleen gaat echt niets veranderen. Zo komen we weer terug bij die 80 pagina’s van Clingendael. Ik geloof daar dus niet in.’

Maar we komen ook terug bij de politisering van de media.

‘Er is een verschil tussen politisering en beleidsimpact. Het politieke debat voeren wij niet, we leggen structuren bloot. We zien dat de marktwerking onder deurwaarders leidt tot wanpraktijken en dat kaarten we aan. Dat is iets anders dan politiek bedrijven.’

Je wil actief dingen veranderen?

‘Ja, beleidssuggesties doen.’

Dan beïnvloed je toch actief het beleid?

‘Vind jij beleid en politiek hetzelfde?’

Interessante vraag. In elk geval is het de bedoeling dat beleid wordt gemaakt door politici.

‘Als ik het heb over politisering van de media heb ik het over hoe je media gebruikt om desinformatie te verspreiden. Dat vind ik iets anders dan heel transparant een onderzoek aangaan en je subjectieve bril inzichtelijk te maken. En dat je politici oproept hun werk te doen. Dat is iets anders dan wanneer je journalistiek gebruikt om mensen op te roepen om een boot in de Middellandse Zee te financieren om vluchtelingen tegen te houden. Dat vind ik politisering van de media.’

En om vluchtelingen niet tegen te houden, maar juist mee te nemen?

‘Ook. Wij gaan geen boot sturen. Het gaat mij om activisme binnen de parameters van de journalistiek. Actiejournalistiek dus.’

Er zijn allerlei onderwerpen waarmee, als je als journalist activist wordt, je je verbindt met politieke stromingen.

‘Laten we klimaat nemen. Iedereen behalve Trump lijkt het erover eens dat daar iets misgaat. Tegelijk zijn er allerlei factoren die maken dat er niets verandert. Dat is raar. Als je een specifieke factor gaat bespreken, bijvoorbeeld de wetgeving rondom fossiele brandstof, dan ben je bezig met beleidsimpact en niet met politisering.’

Er zullen mensen zijn die het belangrijk vinden dat juist die industrie blijft draaien, omdat het van belang is voor onze industrie.

‘Dan kun je daarover een gesprek aangaan en daar is De Correspondent geschikt voor.’

Het probleem lijkt me dat je je daarmee toch achter politieke partijen of stromingen schaart. Dat je daar spreekbuis van wordt.’

‘Ja, ik denk dat je daar heel erg mee moet uitkijken.’

Juist de activistische journalistiek maakt de kans daarop groter dan de klassieke journalistiek die alleen constateert.

‘Daar twijfel ik echt aan. Je kunt op heel specifieke onderdelen activistisch zijn, daarmee verbind je je niet aan een partijprogramma. Je kunt dat transparant doen, je overwegingen ter discussie stellen en ze aanpassen als je ernaast zit. Dat is iets anders dan alleen beschrijven. Iedereen heeft een bril op, iedereen heeft een frame. Ook journalisten bij meer traditionele media.’

Worden jullie wel eens moe van deze vragen?

‘Ik niet, ik ben pas net begonnen. Het is een interessante discussie. Laat me duidelijk zijn: de journalistieke principes zijn voor ons heel belangrijk. Maar alles verandert om ons heen, dus waarom niet de manier waarop we met die principes omgaan?’

Categories
De Correspondent Internationalisering

Jay Rosen over The Correspondent: ‘Het moet in één keer goed’

Vanaf dag één, dat wil zeggen al vier jaar lang, is het de wens van de oprichters van De Correspondent om Nederland te overstijgen. Waarom immers, zou goede journalistiek zich moeten bepreken tot een taalgebied. Maar ja, hoe doe je dat, zo’n onderneming opzetten in het buitenland? En werkt dat zo maar?

Enter Jay Rosen.

Want precies dat wilde de vooraanstaande Amerikaanse mediaprofessor eigenlijk ook wel eens weten. Hij ziet in de Nederlandse media-onderneming veel van zijn ideeën over de toekomst van journalistiek werkelijkheid worden en is enthousiast.

Wie is Jay Rosen?

Rosen stond begin jaren negentig aan de wieg van civic journalism, een stroming gericht op de aanname dat journalisten burgerschap en het publieke debat dienen te bevorderen. Zijn boek What are journalists for is een klassieker voor mediastudenten.

Rosen is een van de belangrijkste stemmen in het Amerikaanse debat over de toekomst van de journalistiek en pleit er vooral voor dat journalisten meer in gesprek gaan met hun publiek. Ernst-Jan Pfauth en Rob Wijnberg kennen zijn werk, en andersom.

Jay Rosen: ““Sommige elementen uit het model van De Correspondent gaan niet werken in de VS. Foto: JD Lasica (CC by 2.0).

Begin dit jaar kreeg Rosen ‘eigenlijk heel makkelijk’ 515.000 dollar los van de Knight Foundation en het Democracy Fund . Dat geld is er om te onderzoeken of het verstandig is als De Correspondent het in Amerika gaat proberen. Althans, dat is de voorzichtige formulering. Je kunt ook zeggen: een half miljoen dollar om de weg te effenen voor The Correspondent in Amerika. Want dat is het doel.

Stichting Democratie en Media (SDM) doet daar nog eens 300.000 euro bovenop, plus een converteerbare lening van 300.000 euro en krijgt daarvoor een aandeel van 5% in de toekomstige The Correspondent. Zo krijgt SDM dezelfde rol als bij De Correspondent.

Onderzoek voor De Correspondent

Als de Engelstalige seinen groen kleuren, zal The Correspondent in 2018 worden gelanceerd. Maar voor die tijd moet The Membership Puzzle nog even worden opgelost. Dat is de naam van het onderzoek dat Rosen doet met de studenten van zijn masteropleiding aan de New York University. Het onderzoek is gericht op het vraagstuk van lidmaatschap in de journalistiek.

Rosen wil tussen Nederland (De Correspondent) en de VS (het onderzoeksteam) ‘kennisoverdracht in twee richtingen’. “Eigenlijk zijn er twee vragen”, zegt hij in juni in de lobby van een Amsterdamse hotel. Rosen is een paar dagen over van New York om kennis te maken op de redactie van De Correspondent. “Vraag één: wat is er al bekend over lidmaatschap in de VS? Dat is fijn voor De Correspondent om te weten. En twee: wat heeft De Correspondent al geleerd in Nederland op dat vlak wat we in de VS moeten weten?”

Daar zal een groot verschil in zitten, want in de VS zijn abonnementen veel minder gangbaar dan in Nederland. Maar dat is nog maar een van de obstakels die Rosen ziet. “Sommige elementen uit het model van De Correspondent gaan niet werken in de VS. We weten alleen nog niet welke.”

Hoe bent u betrokken geraakt bij dit project?

“Ik ontmoette Ernst-Jan en Rob enkele jaren geleden bij NRC. Rob was hoofdredacteur voor nrc.next, Ernst-Jan was hoofd online. Ze waren verrassend jong voor wat ze deden. Toen ik in 2013 op NiemanLab las over De Correspondent en hun crowdfunding was ik enthousiast. Het bedrag dat ze ophaalden trok de aandacht, maar ik las in hun manifest ook veel van mijn ideeën terug, vooral over het betrekken van hun lezers. Ik bleef ze volgen en ik zag hun engelstalig werk. We hielden contact en ontmoetten elkaar in New York.

“In oktober 2016 kwam Ernst-Jan weer naar New York voor een conferentie. We spraken af, want ik wilde dat hij kwam spreken voor een groep van mijn studenten Ik vind De Correspondent namelijk het belangrijkste experiment op het vlak van digitale innovatie en journalistiek, wereldwijd. Mijn studenten vonden het geweldig. Dit was precies wat ze zochten.”

“Toen zei Ernst-Jan in een interview voor de klas dat ze ambitie hadden om naar de VS of Engeland te gaan. Een verrassing voor mij, ik wist daar niets van. Op dat moment liepen hun gesprekken met The Guardian een beetje spaak en ze wisten niet hoe verder. Hij zei dat hij een partner zocht, een nieuwsorganisatie.”

“Tijdens deze publieke bijeenkomst zei ik direct: laat New York University je partner zijn. Wij helpen je. Hij zei: ‘O, dat is interessant.’ Maar ik was serieus. Ik zag wat hun verhaal deed bij mijn studenten, dat was geen beleefdheid, en ik waardeer hun mening. Dus daarna bleven we mailen. Ernst-Jan kwam in december terug en toen hebben we het serieus gemaakt: we gaan met elkaar in zee.”

“Het was eigenlijk heel makkelijk om geld los te krijgen. Een half uur praten met de directeur van de Knight Foundation en een uurtje met de Democracy Fund. Ze kennen me daar, dat helpt, en ze weten dat reader funding een manier is om nieuwsorganisaties te redden. De Correspondent heeft daarom waardevolle kennis voor de VS.”

Hoe ziet dat onderzoek er precies uit?

“Het geld gaat naar het Membership Puzzle Project, dus niet naar De Correspondent. Ik bepaal waar het aan gespendeerd wordt, samen met Emily Goligoski. Zij gaf bij de New York Times leiding aan het gebruikersonderzoek en ze werkte eerder bij Mozilla. We zullen meer mensen aannemen, zoals studenten van mij, om academisch onderzoek te doen.”

‘We willen uitzoeken welke kennis er al is wat betreft lidmaatschap bij Amerikaanse media. Daar maken we een database van, we houden gesprekken met ervaringsdeskundigen. En ook De Correspondent levert zijn ervaringen op dat gebied. We zullen we niet veel geheim houden, we zijn niet bang dat iemand onze informatie steelt, maar denken juist dat het goed is om kennis te delen. Het academische doel is dus die kennis uitwisselen en in kaart brengen. Ons andere doel is de kansen vergroten dat De Correspondent succesvol wordt in de uitbreiding naar de VS.”

Jay Rosen spreekt de redactie van De Correspondent toe tijdens een bijeenkomst in juni 2017. Foto: Medina Resic.

Hoe bekend is De Correspondent eigenlijk in de VS?

“Ik begeef me veel in journalistieke en academische kringen en op universiteiten weet in elk geval iedereen ervan. Op elk congres waar ik ben komt De Correspondent voorbij als voorbeeld. Men is er zeker niet cynisch over, omdat blijkt dat het werkt. Maar het Amerikaanse publiek kent het nog niet.”

Wat zijn de grootste uitdagingen voor De Correspondent in de VS?

“Tja, dat is waar ik me het meest mee bezig heb gehouden de afgelopen tijd en mijn antwoord evolueert dus steeds. Bij De Correspondent zijn ze zeer zelfverzekerd over hun model. Ze willen grote dingen doen, de oprichters zijn gedreven en ambitieus. Daar hou ik van. Maar we weten niet of het gaat werken. Het is in elk geval geen zekerheid dat het slaagt. Het wordt moeilijk en op dit moment zie ik vooral problemen. Zo werk ik nou eenmaal. Zij zijn goed in het negeren van hoe moeilijk iets is en gewoon door te gaan, vanuit enthousiasme. Dat is een gave.”

“De Nederlandse markt is klein, het is makkelijker om je te onderscheiden dan in de VS. En zo snel als de crowdfunding in 2013 hier aandacht kreeg zal het in de VS nooit lukken, daar is meer concurrentie. Iets anders is de abonneecultuur. Amerikanen worden veel minder snel abonnee van een medium. Maar er is een kentering, door Trump zien veel mensen het belang van onderzoeksjournalistiek en zijn ze bereid ervoor te betalen.”

“Het model van De Correspondent is sterk gebaseerd op talent. Dat moet je dus ook zien te vinden voor een Amerikaanse redactie. Misschien moet je mensen van de New York Times of Washington Post overhalen, maar ja, dat is moeilijk. Een andere route is nieuw talent scouten, maar dat kost tijd en veel kennis. Daar kan ik helpen, mijn netwerk is goed.”

“En er speelt ook nog de praktische uitdaging dat het als niet-Amerikaan erg moeilijk blijkt om een bedrijf in de VS te beginnen. Alleen al een bankrekening opzetten is moeilijk, of een plek vinden, fondsen werven. Het scheelt dat Rob US citizen is. Tegelijk is Rob de belangrijkste persoon hier in Nederland. Ook dat wordt een uitdaging: de Nederlandse kant sterk houden.”

Lees voor meer informatie op De Correspondent het artikel van Jay Rosen: Waarom ik De Correspondent ga helpen de wereld te veroveren.

Categories
Follow The Money Techniek en design

Technologische en inhoudelijke innovatie gaan bij FTM hand in hand

FTM Pulse heet de app die Follow the Money deze zomer introduceerde. De app geeft toegang tot de site met behulp van een opmerkelijk navigatiesysteem. Niet de artikelen maar de lezersreacties staan centraal.

Arne van der Wal, medeoprichter van het online platform voor financiële onderzoeksjournalistiek, schetst de aanleiding voor de introductie van de app. “Als je onze site via internet bezoekt zie je keurig de artikelen, maar minder goed wat er allemaal omheen gebeurt, met name lezersreacties.” En die zijn cruciaal voor FTM.

Betrokken lezers

FTM-lezers zijn geen passieve nieuwsgebruikers; ze dragen actief bij aan de inhoud van de site. Neem bijvoorbeeld het dossier dat FTM aanlegt over de vraag waarom de zorg zo duur is. “Dat is iets wat grote groepen mensen aangaat”, legt Van der Wal uit. “Onze redacteuren worden dan ook gebombardeerd met voorbeelden van bureaucratie of vervelende dingen die ze hebben meegemaakt, kleine gevallen van corruptie of misstanden.”

Die betrokkenheid van leden, momenteel tegen de zesduizend, neemt alleen maar toe. Met name het aantal reacties op artikelen stijgt explosief. “Er vinden heel levendige discussies plaats. Mensen delen ideeën en informatie. Het is echt een belangrijk onderdeel van onze site.”

Pulse draait het navigatiemodel daarom om. Niet de artikelen maar de lezersactiviteit staat voorop. “Het is een timeline, eigenlijk een soort mini-Twitter: heel handig als je onderweg bent en een bepaalde discussie volgt. Je ziet wat het nieuws is en kunt er meteen op reageren.”

De app biedt nog een voordeel. “We willen graag alerts sturen,” zegt Van der Wal, “wat met een site niet kan op een mobiel. Als er bijvoorbeeld een update is in een dossier dat jij belangrijk vindt, dan kunnen we een seintje geven.”

Screenshot van het openingsscherm van de FTM Pulse-app.

Ideeën pitchen

Pulse past dus in het grotere plan om leden bij de financiële onderzoeksjournalistiek die FTM bedrijft te betrekken. En Pulse is niet de enige vernieuwing op dit gebied waar Van der Wal aan werkt. Naar verwachting dit najaar wordt FTM Pitch gelanceerd.

“Het is een interactief spel waarbij mensen een voorstel kunnen doen voor een onderzoek dat wij gaan uitvoeren. Ze pitchen het idee volgens een bepaald format op de site en verdedigen het. Leden reageren en stemmen erop. Het wordt een tweetrapsraket waarbij ledenpanels, bestaand uit experts uit eigen gelederen op een bepaald gebied, meebeslissen. De beloning is dat we het idee gaan uitvoeren, liefst met de hulp van de mensen die dat idee steunen.”

Aan FTM Pitch zijn wel een paar belangrijke voorwaarden verbonden. “Het idee moet in journalistieke kaders te gieten zijn”, legt Van der Wal uit. “En er zijn checks and balances. Het onderzoek gebeurt altijd onder leiding van een redacteur, dus het blijft ons product. We houden ook altijd de eindverantwoordelijkheid. Alles wat binnenkomt aan documenten of informatie moeten we checken.”

Wat als leden iets een fantastisch onderwerp vinden en FTM ziet het niet zitten? “We zijn er natuurlijk wel enigszins aan gebonden maar wij houden het laatste woord.” En hoe zit het met de kans dat mensen met een bepaald belang iets aanzwengelen? Van der Wal erkent het probleem maar is er niet bang voor.

“Op zich: iedereen heeft een belang. Iemand zou in theorie een groep mensen kunnen mobiliseren om ergens voor te stemmen, maar ik verwacht veel van het zelfreinigend vermogen van onze lezers, die prikken daar doorheen. En zoals gezegd, wij houden de journalistieke verantwoordelijkheid.”

Wetenschappelijk onderzoek

Follow the Money neemt dus bepaalde journalistieke uitgangspunten zoals het traditionele ‘zendmodel’ op de schop, terwijl ze andere in ere houden. Zo bedrijft het platform een vorm van burgerjournalistiek, een reactie op de behoefte van nieuwsgebruikers aan meer betrokkenheid bij de nieuwsgaring. Maar dat gaat niet ten koste van traditionele journalistieke waarden, zoals onafhankelijkheid en betrouwbaarheid.

FTM is geen uitzondering. Journalistieke startups verwerpen én omarmen bestaande aannames over het vak. Dat concludeert Nikki Usher, journalist en onderzoeker aan de George Washington Universiteit in Washington (DC), na recent onderzoek onder 18 journalistieke startups in de VS en Europa. Startups signaleren een probleem in de huidige journalistiek en bieden daarvoor een oplossing, vaak met behulp van technologische snufjes, zonder volledig te breken met traditionele journalistieke opvattingen.

Nikki Usher deed onderzoek naar journalistieke startups in Europa en de VS.

Maar hoewel journalistieke startups niet alles op de schop gooien hebben de culturele en technologische ontwikkelingen die ze stimuleren wel degelijk consequenties voor ‘de regels van het spel’, zoals Usher het formuleert. Neem bijvoorbeeld de rol van de journalist. Omdat lezers actief willen deelnemen aan de nieuwsgaring, iets wat door technologische ontwikkelingen tegenwoordig kan, wordt de journalist meer regisseur dan zender van een boodschap. Ook dat zie je bij FTM.

Van der Wal: “Als journalist ben je gewend om mensen te bellen of te interviewen. Is het verhaal klaar is, dan gooi je het over de schutting en wordt het gepubliceerd. Eventueel bekijk je nog even wat de reacties zijn. Ledenparticipatie vergt een totaal andere manier van werken. Als redacteur ben je continu in gesprek met je publiek, dat tegelijk ook bron kan zijn. Dat maakt het best complex.”

“Voor ons is het enorm leren. De interactie met lezers kost veel tijd, maar ik vind het echt een innovatie van de journalistiek. Ook de redactie is er enthousiast over. Niet iedereen, maar een groot deel ziet het als een verrijking van wat we doen. Sommige redacteuren zijn er echt handig in, die maken goed gebruik van die lezersparticipatie.”

Technofetisjist

Van der Wal bedenkt de technologische snufjes die de participatie faciliteren samen met de developers van Frontwise, die ook de website hebben ontworpen. “Ik heb altijd die technische belangstelling gehad. Dat begon al bij Quote toen ik de Quote 500-database programmeerde, ik was toen de enige die dat een beetje kon. Ik vind dat heel leuk om te doen. Ik ben geen technofetisjist maar ik zie wel hoe we technische mogelijkheden kunnen gebruiken om ons platform sterker te maken. Dat is mijn doel.”

Dat geldt niet voor alle journalistieke startups. Sommige ontwerpen software met het idee deze te verpatsen voor toepassingen buiten de journalistiek. Scalability, heet dat. Sommige startups halen daar zelfs geld mee op. BuzzFeed kreeg bijvoorbeeld 60 miljoen dollar van een investeerder die de meerwaarde zag van het cms. Het bevat slimmigheidjes die ook relevant kunnen zijn voor andere bedrijven.

Ontwerpt FTM ook met dit idee in het achterhoofd? “Dat hebben we wel geprobeerd, met ons eerste gamification-project. Toen dacht ik echt: dit kunnen we verkopen als stand-alone technologie. Dat kan ook wel maar dan moet je tegelijk het hele cms mee verkopen. Daarvoor is het onze niet zo geschikt omdat er tegenwoordig goedkopere oplossingen zijn.”

Arne van der Wal: “Ik heb altijd die technische belangstelling gehad.” Foto: onbekend.

Het liefst heeft Van der Wal dat belangstellenden naar hem toe komen. Daar heeft hij al ervaring mee. “Toen ik de Quote 500 deed, kreeg ik meteen twee telefoontjes. Het eerste was van de Belastingdienst: of ze de database konden gebruiken. Daar heb ik ‘nee’ op gezegd. Het tweede was van American Express. Met de directie is toen lang gestudeerd op de vraag of er iets te doen was met de waarde die de database vertegenwoordigt. Wettelijk gezien is het best lastig, en je verkoopt dan als journalistiek medium adressen. We hebben het uiteindelijk niet gedaan.”

Netwerkdatabase

Wellicht dat het derde technologische project waar Van der Wal aan werkt meer aanknopingspunten biedt. Het wordt een netwerkdatabase die lobby’s in kaart brengt en visualiseert. Dit najaar moet het klaar zijn. “Zo’n database is van begin af aan een droom van mij geweest. Als je iets wil weten over een persoon, tik je de naam in en krijg je het record van hem of haar, plus alle artikelen die over deze persoon zijn verschenen, plus alle relaties die hij of zij heeft.”

Als lezer kun je de tool gebruiken om de site te navigeren maar de database zal ongetwijfeld ook relaties leggen die aanleiding geven voor nader journalistiek onderzoek en verhitte debatten op de site. Ook voor bedrijven kan de database interessant zijn. “Stel dat je met iemand in zee wil en wil weten wat voor figuur het is. Dan vind je bij ons gestructureerde informatie die – nog belangrijker – anders dan bij LinkedIn op journalistiek wijze is gecontroleerd.”

Het wordt een onderdeel voor de site, maar Van der Wal sluit niet uit dat de database verkocht kan worden. “Dat is best mogelijk, maar dat is niet het uitgangspunt. En dan moeten alle decision makers in Nederland er wel inzitten, want het is heel frustrerend als je iemand invoert en die komt er niet in voor.”

Cultureel kapitaal

Scalability lijkt een mooie manier voor startups om journalistiek te financieren maar Usher ziet ook nadelen aan de technologisering van het vakgebied. Journalistieke organisaties worden techbedrijven waar journalisten niet langer het hart van de organisatie vormen. In sommige gevallen, als de softwareontwikkeling gericht is op het ontwikkelen van algoritmes en nieuwspersonalisatie, kunnen ze zelfs overbodig worden. Het kan niet anders of dit zal op termijn gevolgen hebben voor het culturele kapitaal van de journalistiek. Wie of wat bepaalt bijvoorbeeld wat goede journalistiek is? De techneut of de journalist?

Sommige technologische ontwikkelingen zijn daarom disruptief te noemen. Ze dagen de manier waarop de journalistiek traditioneel bedreven wordt uit en hebben de potentie om normen en werkwijzen die niet voor niets geworteld zijn in een lange traditie te ondermijnen.

Bij FTM is dat allemaal niet aan de orde, aldus Van der Wal. “Bij ons staat het journalistieke voorop, we doen niet aan innovatie om de innovatie. FTM Pitch heeft technologische elementen – leden moeten in een goed beveiligde omgeving kunnen stemmen – maar het draait niet om technologie. Het draait om het zoeken naar manieren om onze lezers te betrekken bij ons onderzoek. Daar gaat het om.”

Categories
Virtual reality Voorbeelden

Voorbeelden van gebruik van 360°-video in oorlogsverslaggeving

The Fight for Fallujah

De New York Times was er vrij vroeg bij om te experimenteren met 360°-video, bijvoorbeeld met The Fight for Fallujah, een 11 minuten durende reportage waarbij we als kijker meegaan met Iraakse troepen die vechten tegen IS.

De camera staat op de motorkap van een militaire Humvee-jeep, of op statief als er ergens ‘actie’ is. Extra beklemmend is het wanneer de camera wordt geplaatst in een kleine ijzeren kooi van IS waarin een gevangene alleen maar rechtop kan staan. Zeker in 360° wordt de barbaarse wreedheid van de terreurbeweging invoelbaar.

Dit is vooral een ‘beeld met voice-over verhaal’. Al komen er wel sprekende mensen voorbij en dan vangt de voice-over het probleem op dat ondertitels in 360°-video weliswaar mogelijk zijn, maar eerder afleidend (je moet immers ook nog rondkijken!) werken.

The Daily 360

De New York Times maakt ook The Daily 360. Dat zijn dagelijkse korte video’s (tussen de één en drie minuten ongeveer) van waar ook ter wereld. Meestal zijn het geen journalistieke verhalen, maar ‘belevingsvideo’s’: je bent bij een beachvolleybalwedstrijd, in een hotel van Donald Trump, bij een Gay Pride of je gaat mee met dochters die hun vader opzoeken in de gevangenis.

The battle for Northern Syria

The battle for Northern Syria is een interessante video, maar de makers (van SMART News Agency) zijn nog duidelijk in gevecht met hoe de techniek te hanteren. In een grotendeels verlaten Syrische plaats staat de camera veel op statief (of vastgehouden door een man met een wit petje) terwijl we een voice-over horen. Soms zijn er interviews en dan staat de camera te ver van het gesprek af.

Daardoor voelt het alsof je op afstand toekijkt. Dat is precies het tegenovergestelde van wat een 360°-video juist zo mooi kan bereiken: het gevoel dat je als kijker er middenin zit.

Maar goed, de video is uit 2015, en dus uit de eerste generatie 360°-video’s. Voor elke maker is het filmen met (steeds weer nieuwe camera’s) een leerproces en in deze video krijg je wel goed het desolate gevoel mee van een plaats waar nog maar tien procent van de inwoners is achtergebleven.

Mosul: Fight against ISIS from the sky

Ook een opmerkelijke video: een 360°-video vanaf een Iraakse gevechtshelikopter. De BBC heeft een 360°-videocamera bevestigd aan de onderkant van een helikopter die boven Mosul vliegt.

Je krijgt daarmee een zelfde soort video als wanneer je een 360°-camera aan een drone hangt. Alleen hangt hier de camera naast de boordmitrailleur, die zelfs even in actie komt (vermoedelijk alleen vanwege de aanwezigheid van de camera).

Je krijgt een mooi overzicht van de stad, de omvang van Mosul is voelbaar en je ziet welk gedeelte er dan nog niet is ingenomen (de oude stad).

Een toevoeging is dat het beeld op sommige momenten wordt stilgezet, en er met een soort vlaggenstokken wordt aangegeven waar belangrijke plekken zijn. ‘De vlag’  aan de stok is een scherm waarop je een gewone video ziet over die locatie: bijvoorbeeld de moskee waar Baghdadi sprak, de universiteit, of het Museum van Oudheden waar IS beelden verwoestte. Nadeel is dat je die inscreen-video’s niet kunt aanklikken om ze groter te zien.

Conclusie

Veel journalistieke 360°-video’s bestaan vooral uit beelden met daaroverheen een voice-over: een anchor, een verteller in beeld ontbreekt.

Tegen de camera praten, en daarmee naar de kijker, is iets wat ik juist veel doe, na de aanvankelijke worsteling of ik uit beeld moest blijven en alleen mijn stem als voice-over later zou moeten toevoegen. Maar ik vind dat in video’s waarin niemand je ook in beeld begeleidt, je soms richting mist en je je verloren kunt voelen in plaats van aanwezig middenin het verhaal. Iemand omschreef dat als het gevoel alsof je na je dood als een onzichtbare bezoeker bent teruggekeerd in het leven: je staat er middenin, maar maakt er geen onderdeel van uit.

Sommige media, zoals de New York Times, voegen een soort kompas toe aan hun video’s: een bewegend taartstuk in een rondje dat laat zien welk deel van de 360°-graden je nu bekijkt. Daardoor raak je minder snel je oriëntatie kwijt.

Ook is voor de toekomst 360°-audio een uitkomst: waarbij je geluid op verschillende plekken kunt laten opkomen binnen de 360°-graden-video, zodat de kijker zich daarnaar zal richten, zoals je dat ook in het normale leven doet.

Ervaringen delen

360°-video heeft steeds meer een rol gekregen in de digitale journalistiek. Zolang de technologische mogelijkheden voor 360°-video nog veranderen en beeldkwaliteit en distributie verbeteren, zijn de grenzen van de toepassingsmogelijkheden en vertelvormen nog niet bereikt.

Ook zijn er steeds meer sites waarop je tips & tricks gepresenteerd krijgt voor het maken van 360- video. Op Medium is bijvoorbeeld een Journalism360-kanaal  te vinden; dit is een interessante plek om ervaringen van anderen te zien. Of het nu gaat om succesvolle verhalen of juist problemen met 360° (ja, dat is vaak in de post-productie fase…). Of je kunt er nieuwe manier van vertellen vinden.

Als pionier kun je je soms enigszins eenzaam voelen, maar ontdekken dat er veel meer mensen ook pionieren kan een enorme stimulans zijn, om kalm door te gaan met een nieuw medium, dat niet meer gaat verdwijnen.